direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Zwaanshoek Hanepoel 154-170
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0394.BPGzwhhanep154x170-B001

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

In Zwaanshoek ligt een gebied dat voorheen agrarisch in gebruik was met onder andere een voormalig hoveniersbedrijf tussen de lintbebouwing aan de Hanepoel en de Bennebroekerdijk. De nieuwe eigenaar heeft de mogelijkheden onderzocht voor functiewijziging, omdat voortzetting van de agrarische functie niet langer houdbaar is in dit gemengde gebied met voornamelijk woningbouw.
Gelet op de ligging van het plangebied ligt een transformatie naar wonen het meest voor de hand, omdat deze functie stedenbouwkundig goed aansluit bij deze gemengde woonomgeving. Het plan voorziet in 20 nieuwe woningen. Voorts worden de in het plangebied gelegen 2 voormalige agrarische bedrijfswoningen hierin meegenomen, omdat deze al langere tijd in gebruik zijn voor woondoeleinden. Dit bestemmingsplan maakt de woningbouwontwikkeling planologisch mogelijk.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt in Zwaanshoek ten oosten van de lintbebouwing aan de Bennebroekerdijk en ten westen van de Hanepoel. In zuidelijke richting ligt op de plangrens een ontsluitingsweg naar bedrijfsverzamel- gebouwen. In noordelijke richting liggen tuinen van aan de Bennebroekerdijk en Hanepoel gesitueerde woningen. In figuur 1 is een situatietekening van het plangebied en omgeving opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0394.BPGzwhhanep154x170-B001_0001.png"

Figuur 1: Plattegrond plangebied en omgeving (rood omlijnd).

1.3 Doel en planvorm

De doelstelling van het bestemmingsplan (bestemmingsplan Zwaanshoek Hanepoel 154-170 met IDN NL.IMRO.0394.BPGzwhhanep154x170-B001) is het bieden van een actueel juridisch-planologisch kader voor het plangebied zoals beschreven in paragraaf 1.2 om een woningbouwontwikkeling met 20 nieuwe woningen mogelijk te maken.

1.4 Geldend bestemmingsplan

Het bestemmingsplan Zwaanshoek 154-170 vervangt voor een gedeelte het bestemmingsplan:

Bestemmingsplan   Raadsbesluit   Uitspraak ABRvS  
“Zwaanshoek"   7 juli 2013   7 mei 2014  

Het plangebied is bestemd als 'Agrarisch'. In het zuidoostelijke gedeelte was een hoveniersbedrijf gevestigd met kassen. Deze zijn (nog) voorzien van de functieaanduidingen 'hovenier' en 'glastuinbouw' met een hierbij behorend bouwvlak en bedrijfswoning. Noordelijk hiervan staan aan de Hanepoel 2 woningen en een agrarische bedrijfswoning, welke als zodanig zijn bestemd. In het noordwestelijke gedeelte staat een twee-onder-één-kapwoning en twee kleine bouwvlakken voor een agrarisch bedrijf. Ten oosten van de Bennebroekerdijk geldt de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' in verband met de westelijk gelegen Haarlemmer Ringvaart. Voor het gehele plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. De gevraagde woningbouwontwikkeling is niet in overeenstemming met het bestemmingsplan. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is een beroepschrift ongegrond verklaard, waarna het bestemmingsplan onherroepelijk van kracht is geworden. Om medewerking te kunnen verlenen aan de woningbouwontwikkeling is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0394.BPGzwhhanep154x170-B001_0002.png"

Figuur 2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Zwaanshoek (plangebied met rode lijn aangeduid).

1.5 Planproces

Een bestemmingsplan doorloopt de procedure zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het voorontwerpbestemmingsplan wordt ex art. 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voor advies voorgelegd aan provincie en hoogheemraadschap. Door de gemeente Haarlemmermeer wordt in dit stadium van planvorming ook de betreffende dorps- of wijkraad in de gelegenheid gesteld op het voorontwerpbestemmingsplan te reageren. Binnengekomen reacties uit het wettelijk vooroverleg worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan.

1.6 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 beschrijft de huidige situatie en hoofdstuk 4 geeft een planbeschrijving van de nieuwe toestand. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader uiteengezet. Hierin wordt het voor dit bestemmingsplan relevante rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de omgevingsaspecten. Ook uitvoeringsaspecten worden hier beschreven. Hoofdstuk 6 is gewijd aan de uitvoerbaarheid. Hierin wordt ingegaan op de uitkomsten van de gehouden inspraak en het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 7 wordt de keuze voor de planmethodiek nader toegelicht.

Hoofdstuk 2 Beschrijving huidige situatie

2.1 Ruimtelijke en functionele structuur

Het plangebied ligt tussen de lintbebouwing van enerzijds de Hanepoel en anderzijds de Bennebroekerdijk, die zijn ontstaan langs deze verbindingswegen in de polder. De gebieden hebben verschillende uitstralingen. De aan de Hanepoel gelegen woningen zijn veelal vrijstaand aan een groene rand gesitueerd. Aan de overzijde hiervan ligt verderop een klein nieuwbouwwijkje. De woningen aan de Bennebroekerdijk kijken uit op de Haarlemmer Ringvaart. De lintbebouwing is hier intensiever met vrijstaande, geschakelde en rijenwoningen. Het tussenliggende gebied is hoofdzakelijk als grasland in gebruik. In de zuidelijke rand ligt een paardenbak en een voormalig hoveniersbedrijf met verouderde glasopstanden. Ten zuiden van het plangebied zijn diverse kleinschalige bedrijven gevestigd in een bedrijfsverzamelgebouw met op de eerste verdieping woningen. De dorpskern van Zwaanshoek ligt zuidoostelijk hiervan.

 
De Haarlemmer Ringvaart. De zuidelijk gelegen bedrijfsverzamelgebouwen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0394.BPGzwhhanep154x170-B001_0003.png"

Woonbebouwing aan Bennebroekerdijk. De woningen liggen verscholen aan de Hanepoel.

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)

Op 22 november 2011 heeft de Tweede Kamer de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) met bijbehorende stukken aangenomen. De Minister van Infrastructuur en Milieu heeft op 13 maart 2012 het vaststellingsbesluit zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van de SVIR ondertekend. Daarmee is het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid zoals uiteengezet in de SVIR van kracht geworden.

De structuurvisie bevat een concrete, bondige actualisatie van het mobiliteit- en ruimtelijke ordeningsbeleid. Dit nieuwe beleid vervangt de Nota Mobiliteit, de Nota Ruimte en de structuurvisie Randstad 2040. De structuurvisie heeft betrekking op:

  • rijksverantwoordelijkheden voor basisnormen op het gebied van milieu, leefomgeving, (water)veiligheid en het beschermen van unieke ruimtelijke waarden;
  • rijksbelangen met betrekking tot (inter)nationale hoofdnetten voor mobiliteit en energie;
  • rijksbeleid voor ruimtelijke voorwaarden die bijdragen aan versterking van de economische structuur.

Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Alleen in de stedelijke regio's rond de mainports (Amsterdam c.a. en Rotterdam c.a.) zal het Rijk afspraken maken met decentrale overheden over de programmering van verstedelijking. Overige sturing op verstedelijking zoals afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, Rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering laat het Rijk los.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (afgekort Barro) bevat een beperkt aantal beslissingen van wezenlijk belang uit de Structuurvisie. Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de hierbij behorende ministeriële regeling zijn op 30 december 2011 in werking getreden. Deze hebben betrekking op de volgende onderwerpen:

  • Project Mainportontwikkeling Rotterdam;
  • Kustfundament;
  • Grote rivieren;
  • Waddenzee en waddengebied;
  • Defensie.

Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met voorschriften voor andere beleidskaders uit de SVIR, het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening. Het gaat hierbij om:

  • Rijksvaarwegen;
  • Hoofdwegen en landelijke spoorwegen;
  • Primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
  • Elektriciteitsvoorziening;
  • Natuurnetwerk Nederland;
  • IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);
  • Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.

In de derde tranche, vastgesteld op 1 februari 2014 zijn de volgende twee nationale belangen toegevoegd:

  • Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;
  • Ruimtereservering parallelle Kaagbaan.

Door de (14) nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte.

De gemeente Haarlemmermeer is gelegen binnen de regio Noordwest-Nederland. Voor deze regio gelden onder meer de volgende opgaven van nationaal belang:

  • Het versterken van de mainport Schiphol en het bijbehorende netwerk van verbindingen door het opstellen van de Rijksstructuurvisie voor de Schipholregio (SMASH);
  • Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV);
  • Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000 gebieden.
3.1.3 Luchthavenindelingbesluit

Het rijksbeleid voor Schiphol is geformuleerd in het Luchthavenindelingbesluit (LIB), zoals dat in werking is getreden op 1 januari 2018. In dit besluit is een beperkingengebied opgenomen waarbinnen beperkingen worden gesteld ten aanzien van het gebruik en de bestemming van de grond voor zover deze noodzakelijk zijn met het oog op veiligheid en geluidsbelasting.

3.1.3.1 Beperkingengebied bebouwing

Het plangebied ligt binnen een 'beperkingengebied', zoals opgenomen in artikel 1.2.1 en bijlage 2 van het LIB (figuur 3).

afbeelding "i_NL.IMRO.0394.BPGzwhhanep154x170-B001_0004.png"

Figuur 3: Uitsnede Beperkingengebied (plangebied met gele ster aangeduid).

Het plangebied valt evenwel buiten de LIB-zone 'Beperking bebouwing' zoals opgenomen in bijlage 3 van het LIB en 'Beperking aantrekken vogels'. De hoogtebeperkingen zoals opgenomen in bijlage 4 van het LIB zijn van toepassing voor het plangebied, maar vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. De beperkende hoogte volgens het LIB bedraagt voor het plangebied maximaal 140 m. De te realiseren bebouwing zal echter niet hoger worden dan circa 10 m. Een uitsnede van de 'Beperking bebouwing' met daarin opgenomen de 'Hoogtebeperkingenkaart' van het LIB voor de luchthaven Schiphol is opgenomen in figuur 4. Evenmin wordt de 'Maatgevende kaart toetshoogtes' (bijlage 4 van het LIB) overschreden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0394.BPGzwhhanep154x170-B001_0005.png"

Figuur 4: Uitsnede Overzichtskaart Beperking bebouwing met linksboven de kaart Hoogtebeperkingen in Zwaanshoek.

Naast voornoemde beperkingen geldt er ook een toetshoogte in verband met de radar (bijlage 4a van het LIB). Ter hoogte van het plangebied is deze hoogte vastgelegd op 60 - 80 m ten opzichte van NAP. Voor windturbines en lasers in in artikel 2.2.4 verder opgenomen dat op de gronden die zijn aangewezen op de kaart in bijlage 6 van het LIB geen vaste laserinstallatie zijn toegestaan en geen windturbine die met de tiphoogte door een vlak met een maatgevende toetshoogte steekt zoals opgenomen in de in bijlage 4 opgenomen kaart, met een ashoogte van meer dan 35 meter, of in geval van plaatsing op een gebouw, met een tiphoogte van meer dan 5 meter dan wel meer dan 35 meter voor gebouw en tiphoogte tezamen. Windmolens en laserinstallaties worden niet mogelijk gemaakt, zodat er uit dien hoofde geen beperkingen zijn.

Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het Luchthavenindelingbesluit Schiphol geen belemmering oplevert voor de uitvoerbaarheid van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling, omdat de beoogde bebouwing ruimschoots lager is dan de maximale bouwhoogte (bijlage 3), toetshoogten (bijlagen 4, 4a en 6) van het LIB, zodat de aanwezigheid van Schiphol en het LIB geen invloed heeft voor dit bestemmingsplan. In de Algemene aanduidingsregels wordt dit geborgd.

3.1.4 Besluit ruimtelijke ordening (2017)

Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro)
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen neemt het Rijk enkel nog een 'Ladder' voor duurzame verstedelijking op. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Dit betekent dat in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving wordt opgenomen van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.

Doel van de ladder is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder is als een procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Hierna wordt de planontwikkeling getoetst aan de Ladder, zoals deze vanaf 1 juli 2017 geldt.

Toetsing initiatief aan Ladder voor duurzame verstedelijking
De belangrijkste motiveringsplichten van de nieuwe Ladder, namelijk dat de behoefte aan een nieuwe ontwikkeling moet worden aangetoond en dat moet worden toegelicht – als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd – waarom het bestaand stedelijk gebied niet geschikt is voor de nieuwe ontwikkeling, vloeien voort uit andere wettelijke normen en jurisprudentie. Ook in het geval er geen sprake is van een formele 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', moet toch het nut en de noodzaak aan die ontwikkeling en de uitvoerbaarheid daarvan worden aangetoond. In onderhavig geval is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, omdat meer dan 12 woningen mogelijk worden gemaakt. Bij het doorlopen van de ladder voor duurzame verstedelijking wordt het volgende geconstateerd:

Ad behoefte
Er is sprake van een behoefte. Dit blijkt onder andere uit paragraaf 3.2.3 en 3.3.2. De invulling van het plangebied met vrijstaande en twee-onder-één-kapwoningen voor de doelgroep doorstromers sluit goed aan bij de provinciale en gemeentelijke ambitie, waarbij gestreefd wordt naar duurzame woningen in leefbare dorpen en wijken en aangenaam wonen in diverse woonmilieus: stedelijk, suburbaan, dorps en landelijk". De gewenste ontwikkeling voldoet aan de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte.

Ad bestaand stedelijk gebied
Bestaand stedelijk gebied wordt in het Bro gedefinieerd als 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Het plangebied ligt tussen lintbebouwing aan de Bennebroekerdijk en Hanepoel grenzend aan de dorpskern van Zwaanshoek. Ten oosten van het plangebied is al woningbouw gerealiseerd (20 grondgebonden woningen). Ten zuiden hiervan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen in het bestemmingsplan Zwaanshoek om nog eens 100 woningen mogelijk te maken. Direct ten zuiden van het plangebied zijn bedrijven gevestigd, terwijl in het plangebied al woningen staan. De agrarische gronden zijn niet meer als zodanig in gebruik. Een transformatie van de volledige planlocatie naar woondoeleinden draagt bij aan aan de levendigheid van het gebied. Gelet op de specifieke ligging, de aard van de omgeving en de komende ontwikkelingen maakt dit gebied onderdeel uit van het bestaand stads- en dorpsgebied. De invulling van het plangebied met woningen levert vanuit de verstedelijkingsladder geen belemmering op.

3.1.5 Conclusie Rijksbeleid

Het rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen. Het initiatief raakt geen rijksbelangen zoals opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, Rijksstructuurvisie voor de Schipholregio, het Luchthavenindelingbesluit en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. De woningbouw is voorts in overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking. Vanuit rijksbeleid zijn er geen beperkingen aan deze planontwikkeling.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Structuurvisie Noord-Holland 2040

De structuurvisie Noord-Holland 2040 beschrijft hoe de provincie omgaat met ontwikkelingen die een grote ruimtelijke impact hebben, zoals globalisering, klimaatverandering en trends zoals vergrijzing en krimp. Daarnaast geeft de provincie aan welke keuzes gemaakt worden en schetst ze hoe de provincie er in 2040 er uit moet komen uit te zien. Door de ruimtelijke ordening aan te passen waar nodig, kan met de veranderingen worden omgegaan. Tegelijkertijd is het van belang bestaande kwaliteiten van het provinciale landschap te behouden of verder te ontwikkelen. Op basis hiervan richt de structuurvisie zich op drie hoofdbelangen:

  • Klimaatbestendigheid: de provincie zorgt voor een gezonde en veilige leefomgeving in harmonie met water en gebruik van duurzame energie.
  • Ruimtelijke kwaliteit: de provincie zorgt voor behoud van het Noord-Hollandse landschap door verdere ontwikkeling van de kwaliteit en diversiteit.
  • Duurzaam ruimtegebruik: de provincie zorgt voor een regionale ruimtelijke hoofdstructuur waarin functies slim gecombineerd worden en goed bereikbaar zijn nu, en in de toekomst.

Ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit richt de provincie zich op behoud en ontwikkeling van Noord-Hollandse cultuurlandschappen, natuurgebieden en groen om de stad. Wat het duurzaam ruimtegebruik betreft is voor de provincie een voldoende en op de behoefte aansluitende huisvesting binnen Bestaand Bebouwd Gebied van belang, als ook het investeren in metropolitane landschappen.
Vooral in het zuidelijke deel van Noord-Holland, binnen het werkingsgebied van de Metropoolregio Amsterdam, kan het landelijk gebied gezien worden als recreatiegebied voor de stedeling. De provincie streeft naar meer samenhang in de totale recreatieve structuur: verbindingen tussen bestaande recreatiegebieden en het recreatief medegebruik van natuur- en landbouwgebieden.

Transformatiegebieden
Het plangebied is aangewezen als 'Transformatiegebied', dat wil zeggen verandering van landelijk gebied binnen een gebiedsontwikkeling vanuit een integrale opgave voor wonen, recreatie, natuur en bedrijvigheid. De aanwijzing als transformatiegebied heeft betrekking op de gebiedsontwikkeling Bollenstreek/ Haarlemmermeer-Westflank. Uitgangspunten van die gebiedsontwikkeling zijn:

  • het versterken van het internationaal vestigingsklimaat rond luchthaven Schiphol door de realisatie van een aantrekkelijk, duurzaam, klimaatbestendig woonmilieu door het combineren van wonen, water en groen/recreatie;
  • het bereiken van een duurzaam waterbeheer voor waterkwaliteit en –kwantiteit waarbij huidige knelpunten en te verwachten knelpunten door klimaatverandering worden opgelost.

De ligging van het plangebied binnen 'transformatiegebied' wordt weergegeven op afbeelding 5.

afbeelding "i_NL.IMRO.0394.BPGzwhhanep154x170-B001_0006.png"

Figuur 5: Uitsnede structuurvisiekaart Noord-Holland 2040, kaart Huisvesting. Het plangebied is met een rode omlijning aangeduid.

Voor de toekomstige vraag naar ruimte, woningen en woonmilieus verwacht de provincie Noord-Holland dat binnen Bestaand Bebouwd Gebied en de transformatiegebieden voldoende capaciteit beschikbaar is. Wanneer binnen Bestaand Bebouwd Gebied geen mogelijkheden zijn om aan de regionale vraag te voldoen dan moet als eerste worden gekeken naar locaties die multimodaal bereikbaar zijn of dit op korte termijn kunnen worden. Dit is in lijn met de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ van het Rijk, waarin het aantonen van nut en noodzaak van verstedelijking wettelijk verplicht is gesteld. Nieuwe woonmilieus buiten Bestaand Bebouwd Gebied sluiten zoveel mogelijk aan bij de bodemfysieke kwaliteiten, de kwaliteit en identiteit van het landschap en de cultuurhistorie (landschaps-DNA en dorps-DNA), in samenhang met recreatief groen en natuur. Vanwege het bovenlokaal en bovenregionale karakter van de identiteit en kwaliteit van de landschaps- en dorpstypen heeft de provincie Noord-Holland hierbij een coördinerende rol.

Conclusie
De herontwikkeling van het plangebied naar Wonen sluit aan bij de provinciale ambitie, omdat het plangebied is aangewezen als 'Transformatiegebied'. De ontwikkeling betekent ten opzichte van de huidige situatie een forse verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Voldaan wordt aan de provinciale belangen met betrekking tot functie en gebruik.

3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening

Op 21 juni 2010 is de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) vastgesteld. De laatste wijziging van de PRV is op 23 april 2018 door Provinciale Staten vastgesteld. In deze wijziging zijn onder andere de artikelen met betrekking tot agrarische bouwpercelen, glastuinbouw en de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie aangepast. De gewijzigde PRV is op 2 mei 2018 in werking getreden.
Voor de doorwerking van het in de structuurvisie vastgelegde beleid staan de provincie, naast de bekende bestuurlijke middelen als subsidies, overleg, convenanten en dergelijke, diverse juridische instrumenten ter beschikking, zoals de PRV.
In de PRV is in artikel 5a opgenomen dat een bestemmingsplan uitsluitend kan voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als deze ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. Dit artikel sluit aan op de wettelijk verplichte toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking, zoals vastgelegd in het Bro. In de PRV is het accent gelegd op de regionale afspraken voor woningbouw zoals deze zijn vastgelegd in de Regionale Actie Programma's (RAP). De gemeente Haarlemmermeer maakt onderdeel uit van het RAP Wonen 2016 t/m 2020 Amstelland-Meerlanden, Amsterdam, Zaanstreek-Waterland (voorheen Stadsregio Amsterdam).

Kwantitatieve match
Voor de regio (Het geografisch gebied van de voormalige Stadsregio) als geheel wordt de groei van de woningbehoefte in de periode 2017-2027 geraamd op ca. 79.500 woningen. Hier staat een harde plancapaciteit van bijna 62.500 woningen tegenover, waardoor een tekort aan harde plannen van 17.000 woningen bestaat. Voor de marktregio Amstelland-Meerlanden, waaronder Haarlemmermeer valt, is het tekort in hard capaciteit 9.150 woningen.

Kwalitatieve match
Voor de RAP-regio als geheel (= de marktregio Amsterdam) is het volgende te concluderen:

  • De woningbehoefte is zo groot, dat in vrijwel alle marktsegmenten tekorten zijn.
  • De grootste tekorten doen zich voor bij eengezinswoningen, betaalbare huurwoningen en betaalbare en middeldure koopwoningen.
  • Alleen bij de marktsegmenten meergezinswoningen in een stedelijk milieu - een segment dat ruim geprogrammeerd staat - en dure huurwoningen is de plancapaciteit een fractie groter dan de vraag.

Voor Zaanstreek-Waterland en Amstelland-Meerlanden gelden soortgelijke conclusies:

  • tekorten in vrijwel alle marktsegmenten.
  • met name tekort aan betaalbare huurwoningen en koopwoningen in het middeldure en betaalbare segment.
  • een iets groter aanbod stedelijke appartementen en dure huurwoningen dan vraag.

Op grond van het geldende bestemmingsplan is in het gebied lintbebouwing toegestaan, alsmede kassen ten behoeve van een hoveniersbedrijf. Een transformatie naar Wonen wordt voorgestaan in transformatiegebied. De woningbouwopgave van 20 woningen maakt onderdeel uit van de lijst van woningbouwprojecten van het RAP Wonen 2016 t/m 2020. Voor de niet meer in gebruik zijnde bouwpercelen is functiewijziging mogelijk op grond van artikel 17 van de PRV.

In artikel 19 van de PRV ( Ecologische Hoofdstructuur en provinciale Ecologische Verbindingszones) zijn de ecologische verbindingszones vastgelegd op kaart 4. Deze verbindingszone ligt voor een klein gedeelte in het uiterste noorden van het plangebied. De aangeduide verbinding is op dit moment een indicatieve verbinding, die nog niet naar een reële verbinding is omgezet. In dit geval moet de feitelijke verbinding iets meer naar het noorden lopen, tussen de brug in de ringvaart naar park Zwaanshoek toe. Een verbinding voor water en moeras, gericht op de doelsoorten ringslang, noordse woelmuis, waterspitsmuis, meervleermuis en dagvlinders. Dit heeft geen gevolgen voor het plangebied, daar een ecologische verbinding geen uitstralende werking heeft. Gelet hierop is er geen strijdigheid met artikel 19.1 lid c van de PRV.

Conclusie
Het plangebied ligt in het Bestaand Stedelijk Gebied. Over deze ontwikkeling heeft regionale afstemming plaatsgevonden met het RAP Wonen Amstelland-Meerlanden, Amsterdam, Zaanstreek-Waterland (voorheen Stadsregio Amsterdam). Het woningbouwprogramma past binnen de regionale en lokale kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte (zoals hiervoor beschreven en nader toegelicht in paragraaf 3.2.3), zodat het plan in overeenstemming is met de PRV. Gelet hierop is er geen strijdigheid met de provinciale belangen.

3.2.3 Provinciale woonvisie 2010-2020

Op 27 september 2010 hebben Provinciale Staten de provinciale woonvisie 'Goed wonen in Noord-Holland' vastgesteld. De doelstelling is dat in 2020 de inwoners van Noord-Holland beschikken over voldoende woningen met een passende kwaliteit en in een aantrekkelijk woonmilieu. De provincie wil dit bereiken door samen met de regio's Regionale actieprogramma's (RAP's) te ontwikkelen met duidelijke afspraken over de regionale woningbouwprogramma's en deze uit te voeren. De speerpunten van het beleid zijn:

  • Verbeteren van de afstemming tussen vraag en aanbod voor alle consumenten, en specifiek voor doelgroepen die minder kansen hebben op het vinden van een geschikte woning.
  • Verbeteren van de mate waarin voorzieningen in de woonomgeving aansluiten bij de vraag van bewoners.
  • Verbeteren van de duurzaamheid van het woningaanbod en de woonomgeving.

Monitor Woningbouw 2016
Het monitoren van de in de RAP's gemaakte afspraken over woningbouwproductie gebeurt in de jaarlijkse Monitor Woningbouw. Deze vormt input voor een jaarlijkse analyse van de match tussen vraag en aanbod. Het aanbod is opgetekend in de 'monitor plancapaciteit' die is opgenomen in de woningbouwmonitor.
De RAP's vormen voor de provincie Noord-Holland mede een instrument om te bepalen of gemeenten buiten Bestaand Bebouwd Gebied (BBG) nieuwe ontwikkelingen mogen initiëren. De gemeente die buiten BBG wil bouwen dient:

  • het nut en de noodzaak van het bouwprogramma aan te tonen, en
  • te onderbouwen waarom de beoogde ontwikkeling niet binnenstedelijk gerealiseerd kan worden.

De monitor geeft over 2016 aan dat gezien de behoefte in de Woonregio Amsterdam de productie daar te laag is, waardoor de druk op de woningmarkt oploopt. Op papier is genoeg capaciteit beschikbaar. Om de productie ook daadwerkelijk te halen moet planuitval voorkomen worden, zachte plannen moeten harde plannen worden en omgevingsvergunningen moeten leiden tot opleveren van woningen.

De locatie Zwaanshoek Hanepoel is opgenomen in de monitor plancapaciteit (gebied 73 met een plancapaciteit van 100 woningen) als zacht plan (in voorbereiding). Het realiseren van deze woningbouwlocatie draagt bij aan de aanbeveling die in de monitor wordt gedaan.

Conclusie
Het plan voorziet in de realisatie van 18 twee-onder-één-kapwoningen en 2 vrijstaande woningen uiteenlopende woningen, die aansluiten bij de vraag vanuit de markt voor de doelgroep doorstromers. De gewenste ontwikkeling is in overeenstemming met de Provinciale Woonvisie 2010-2020.
De woningbouwontwikkeling maakt onderdeel uit van het overzicht nieuwbouwplannen per regio en gemeente van de Plancapaciteit Noord-Holland 2017 (gemeente Haarlemmermeer, gebied 73 met een totale plancapaciteit van 100 woningen in de periode 2017-2019).

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Haarlemmermeer 2030

De Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 heeft de gemeenteraad op 20 september 2012 vastgesteld. Het gaat over belangrijke structurerende zaken met ontwerpprincipes voor duurzaamheid, een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem, energie, netwerk- en ketenmobiliteit, de synergie met Schiphol, ruimte voor attracties, en de cultuurhistorie en diversiteit als drager van de ontwikkelingen. Ook over de wijze waarop wordt ontwikkeld en het centraal stellen van de mens in dit ontwikkelproces worden belangrijke uitspraken gedaan. Het accent ligt hierbij op Sociale Duurzaamheid en Ruimtelijke Kwaliteit.

De Structuurvisie is een ruimtelijk instrument. De keuze is gemaakt om het denken in structuren veel meer dan tot nu toe te laten leiden door de behoeften van mensen. Voor de bewoners van nu maar ook voor de inwoners van de toekomst. Duurzaamheid is hierbij eerder een wijze van denken en een ontwerpprincipe voor ontwikkelingen dan een programmatisch thema. Het doel van de Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 is het bieden van een kader, waarmee Haarlemmermeer:

  • 1. de ruimtelijk bestaande situatie, de huidige ontwikkelingen en de gewenste toekomstige ontwikkelingen in hun onderlinge samenhang (voor de periode tot 2030) borgt;
  • 2. het toetsingskader voor het ruimtelijk beleid voor de periode 2010-2020 geeft;
  • 3. de kaders voor het maken van financiële afspraken met overheden en marktpartijen voor bovenplanse verevening biedt.

De ambities van Haarlemmermeer in de komende twintig jaar komen voort uit de aan de Structuurvisie ten grondslag liggende Contourennota. In de toekomst wil Haarlemmermeer de bestaande diversiteit aan woon- en werkmilieus - haar zogeheten atypische stedelijkheid - versterken. Haarlemmermeer wil een gemeente zijn die verbonden is en verbindt, een samenleving met samenhang. Dat betekent ook dat er samenhang moet zijn tussen alle ontwikkelingen die plaatsvinden, zowel de ruimtelijke als de sociale ontwikkelingen. Haarlemmermeer positioneert zich ook in de toekomst als een attractieve ontmoetings- en vestigingsplaats. Duurzaamheid en oog voor bestaande structuren zijn leidend bij de toekomstige ruimtelijke, economische en sociale ontwikkelingen. De ambities voor Haarlemmermeer in 2030 zijn daarmee:

  • sterk gevarieerd en gebruikmakend van de atypische stedelijkheid;
  • duurzaam en klimaatbestendig;
  • fysiek en sociaal verbonden met elkaar en met de omgeving, en
  • blijvend gepositioneerd als attractieve ontmoetingsplaats.

Op de integrale kaart van de Structuurvisie is het plangebied als bestaand gebied aangeduid (zie figuur 6). Hoewel deze herontwikkeling niet concreet is benoemd kan worden gesteld dat deze planontwikkeling in overeenstemming is met de structuurvisie, omdat woningbouw een bijdrage levert aan het behouden van de leefbaarheid en het voorzieningenniveau in Zwaanshoek.

afbeelding "i_NL.IMRO.0394.BPGzwhhanep154x170-B001_0007.png"

Figuur 6: Uitsnede Integrale kaart Structuurvisie.

Conclusie
De Structuurvisie heeft een hoog abstractieniveau. Er worden geen uitspraken gedaan op perceelniveau. Voor het plangebied staat voornamelijk het versterken van de stedelijke kwaliteit voorop. Het realiseren van woningbouw in het plangebied past binnen uitgangspunten van de structuurvisie van de kern Zwaanshoek en de gemeente Haarlemmermeer in het algemeen.

3.3.2 Woonvisie

In 2012 heeft de gemeenteraad de nota 'Woonvisie 2012-2015' vastgesteld. De Woonvisie is het kader voor het woonbeleid van Haarlemmermeer. Voorspelbaarheid en maakbaarheid zijn op de achtergrond gedrongen door de hoge dynamiek in de samenleving en op de woningmarkt.
De Woonvisie heeft als centrale doelstelling:

'Haarlemmermeer zet zich in voor duurzame en betaalbare woningen in leefbare dorpen in wijken en aangenaam wonen in diverse woonmilieus: stedelijk, suburbaan, dorps en landelijk'

Drie belangrijke pijlers daarin zijn:

  • 1. Woongenot in dorpen en wijken. Maatwerk in regelgeving op lokaal niveau, aandacht voor woonwijken met stadse en suburbane woonmilieus (Hoofddorp, Nieuw-Vennep) en versterken van uniek karakter in de kernen en het buitengebied.
  • 2. Inspelen op de woningmarkt. De woningmarkt, vraag en aanbod, is het uitgangspunt.
  • 3. Wonen en zorg/ bijzondere doelgroepen. De vergrijzing zorgt voor een veranderende woonvraag en het huisvesten van bijzondere doelgroepen heeft onze extra aandacht. Mede door het scheiden van wonen en zorg en de decentralisatie van taken naar de gemeente, spelen partners die gespecialiseerd zijn in wonen, zorg en welzijn hierbij een sleutelrol.

Daarnaast is er facetbeleid: duurzaamheid, inbraakpreventie en toegankelijkheid. Aangezien Haarlemmermeer een integraal duurzaamheidbeleid heeft (programma Ruimte voor Duurzaamheid), volgt de Woonvisie de uitgangspunten van dat duurzaamheidbeleid.

De richtlijn voor het gemeentelijk nieuwbouwprogramma is:

  • Sociaal segment 30%
  • Derde segment voor middeninkomens 10%
  • Marktsegment 60%

Het aandeel van 30% voor sociale huur wordt gemeentebreed gerealiseerd, echter niet meer in elk individueel woningbouwplan, maar vanuit het oogpunt van een gedifferentieerde bevolkingsopbouw en voornamelijk in plannen van enige omvang. Dit uitgangspunt is uitgewerkt in de nota 'Uitgangspunten binnenstedelijke nieuwbouw en transformatie' van burgemeester en wethouders van 11 juli 2017, waarin is vastgelegd om gemeentebreed te streven naar 30% sociale huur zowel bij de binnen- als buitenstedelijke woningbouwontwikkelingen. Alleen bij relatief kleine projecten blijft er de vrijheid voor de ontwikkelaar om het woningbouwprogramma zelf in te vullen. Het gaat dan om projecten van 30 of minder woningen, waar het dan om hoogstens 9 sociale huurwoningen zou gaan. In de nieuwe woongebieden blijft het uitgangspunt 30% sociale huur ongeacht de omvang van het project.

Dit bestemmingsplan valt onder de noemer kleine projecten waarvoor de verplichting om sociale huur woningen mogelijk te maken niet van toepassing is. De ontwikkeling van 20 woningen in de dure sector is hier passend, omdat enerzijds het lint kan worden versterkt en anderszijds een informele woonstraat in een dorps woonmilieu kan worden gerealiseerd met veel twee-onder-één-kapwoningen, waaraan grote behoefte is.

Conclusie
De locatie ligt in de noordelijke rand van Zwaanshoek. Het betreft een transformatie van een verouderd agrarisch gebied en een voormalig hoveniersbedrijf dat al geruime tijd leeg staat. De woningbouw voorziet in 20 koopwoningen in de dure sector. Op basis van de gemeentelijke ambitie kiest de gemeente ervoor om in te zetten op het afronden van de ruimtelijke structuur van de kern en het herontwikkelen van bestaande locaties in de bebouwde kom die een kwaliteitsimpuls nodig hebben. De ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid worden sterk verbeterd. Deze ontwikkeling levert een bijdrage aan het meerjarenprogramma woningbouw om voldoende woningen te realiseren voor de doelgroep doorstromers. Voorts sluit de woningbouw goed aan bij de gemeentelijke ambitie "Haarlemmermeer zet zich in voor duurzame en betaalbare woningen in leefbare dorpen en wijken en aangenaam wonen in diverse woonmilieus: stedelijk, suburbaan, dorps en landelijk". De gewenste ontwikkeling voldoet aan de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte. Het plan is passend binnen de gemeentelijke woonvisie.

3.3.3 Woonagenda (2015)

Sinds de Woonvisie Haarlemmermeer in 2012 is vastgesteld, is er veel veranderd. Met de Woonagenda wordt naast de nog steeds geldende Woonvisie een verdieping gegeven van het gemeentelijk volkshuisvestelijk beleid. Hierbij zijn drie speerpunten:

  • 1. Relatie gemeente en corporatie: Sturingsmogelijkheden richting woningbouwcorporaties worden beter benut, bijvoorbeeld nieuwe prestatieafspraken.
  • 2. Toegankelijkheid en betaalbaarheid sociale huursegment. Er komen nieuwe afspraken over het aanbod sociale huurwoningen: minstens een nader te bepalen percentage van de vrijkomende sociale huurwoningen wordt weer als sociale huurwoning verhuurd en er komen nieuwe maatregelen ten aanzien van urgenties en bijzondere doelgroepen.
  • 3. Wonen en zorg: Haarlemmermeerders die zorg behoeven moeten langer zelfstandig thuis (kunnen) blijven wonen.

Conclusie
Het woningbouwprogramma speelt in op de nieuwe woningmarkt om te kunnen voorzien in de groeiende behoefte aan 20 koopwoningen.

3.3.4 Deltaplan Bereikbaarheid (2012)

Het Deltaplan Bereikbaarheid geeft een visie op verkeer en vervoer in Haarlemmermeer, om te komen tot een duurzaam toekomstvast mobiliteitssysteem. De doelen hierbij zijn: goede bereikbaarheid, optimale doorstroming, verbeteren van de verkeersstructuur en goede ontsluiting van de kernen, verdere ontwikkeling van een hoogwaardig openbaar vervoernetwerk in de regio en het verbeteren van de verkeersveiligheid. De horizon van het plan ligt op 2030.

In het Uitvoeringsprogramma Deltaplan Bereikbaarheid staan een uitvoeringsagenda en de fasering van uit te voeren maatregelen of onderzoeken. De uitgangspunten voor de auto en het wegennetwerk zijn het uitbreiden en verbeteren van het netwerk voor de (vracht)auto en het oplossen van bestaande knelpunten in het netwerk.
Voor de fiets zijn de aanleg van ontbrekende schakels in het netwerk en verbetering van de kwaliteit van het bestaande fietsnetwerk belangrijke uitgangspunten. In diverse kernen worden knelpunten opgelost door het realiseren van verkeersveilige fietsoversteken.

De uitgangspunten voor verkeersveiligheid zijn:

  • veilige inrichting en veilige infrastructuur
  • educatie als basis voor verantwoord verkeersgedrag
  • handhaving van de spelregels

Het 'Wegcategoriseringsplan' geeft de functie van de verschillende wegen aan. Op basis van de sterkte van de verkeersrelaties, is een onderscheid gemaakt tussen stroomwegen, ontsluitingswegen en erftoegangswegen. De zwakke verkeersrelaties zijn aangeduid als erftoegangsweg, waarbij in verband met leefbaarheid een indicatieve acceptabele grens van 5.000 à 6.000 motorvoertuigen per etmaal wordt toegepast.

De gemeente past het concept 'Duurzaam Veilig' toe. Daarbij wordt de infrastructuur zodanig ingericht, dat de kans op ongevallen tot een minimum is gereduceerd. Het wegontwerp is afhankelijk van de wegcategorie waarbinnen een weg valt. Uitzonderingen zijn nodig voor oude infrastructuur, die niet is berekend op de huidige verkeersdrukte.

Het parkeerbeleid heeft als doel:

  • de bereikbaarheid van voorzieningen te bevorderen door het toepassen van geschikte parkeernormen voor de diverse woon- en werkgebieden;
  • objectieve parkeeroverlast in woonwijken terug te dringen;
  • de leefbaarheid te bevorderen.

Parkeren voor een voorziening of functie moet bij die voorziening worden opgelost, zoveel mogelijk op eigen terrein of binnen de plangrenzen van een grootschalige ontwikkeling. Het parkeren mag niet ten koste gaan van de kwaliteit van de openbare ruimte.

Conclusie
De woningbouwlocatie wordt ontsloten via een nieuw aan te leggen erftoegangsweg vanaf de Hanepoel zoals beschreven in paragraaf 4.4. Deze weg wordt aangelegd volgens het concept 'Duurzaam veilig'. Parkeren wordt opgelost binnen het plangebied. De ontwikkeling is in overeenstemming met de uitgangspunten van het Deltaplan Bereikbaarheid.

3.3.5 Op weg naar een duurzaam evenwicht in 2030

De centrale doelstelling van het gemeentelijk milieubeleid is in deze nota als volgt geformuleerd: "In 2030 hebben we de voorwaarden bereikt voor een duurzame en leefbare groei en ontwikkeling". In deze gemeentelijke visie concentreren de milieu-inspanningen zich op drie hoofdonderwerpen:

  • Ontwikkeling: maatregelen bij ruimtelijke ontwikkelingen die vooral de milieudruk beogen te verminderen (bijvoorbeeld grondstoffen besparing, beperken wateroverlast, gezond bouwen);
  • Beheer: milieu-inspanningen die de leefomgeving beogen te verbeteren (bijvoorbeeld vermindering afval, garanderen veiligheid en luchtkwaliteit);
  • Klimaat: alle activiteiten die ervoor zorgen dat er minder CO2 de lucht in gaat teneinde het broeikaseffect te verminderen (realiseren van windmolens, energiebesparing, enzovoorts).

Een van de speerpunten is dat ruimtelijke-ontwikkelingsprojecten duurzaam worden ontwikkeld volgens het ambitieniveau uit de daarvoor ontwikkelde beleidskaders.

Intentieovereenkomst Aardgasvrije Nieuwbouw Metropoolregio Amsterdam
De Metropoolregio Amsterdam (MRA) heeft de ambitie uitgesproken om de gebouwde omgeving al grotendeels aardgasvrij te maken per 2035. Dat zorgt voor een grote opgave voor de bestaande woningvoorraad binnen de regio. Om die opgave niet groter te maken dan die nu al is, is het een logische stap als regio zo snel mogelijk aan de slag te gaan met aardgasvrije nieuwbouw.
De MRA heeft de betrokken gemeenten opgeroepen om een intentieovereenkomst aan te gaan met als doel alle nieuwbouwprojecten voortaan aardgasvrij te realiseren. Dit sluit aan op de gezamenlijke afspraken in de MRA en het beleid zoals hierboven verwoord. Door dit gezamenlijk als regio te doen ontstaat ook een gelijk speelveld voor ontwikkelaars. Deze overeenkomst is op 1 februari 2018 door de gemeente Haarlemmermeer ondertekend.

Toetsing planinitiatief
De woningen worden duurzaam gebouwd, waarbij de volgende duurzaamheidsmaatregelen worden gebruikt: het toepassen van voldoende isolatie, energiezuinige en -besparende installaties en diverse veiligheidsvoorzieningen, zodat er comfortabele en veilige woningen met lage energiekosten worden gerealiseerd.

Energie Prestatienorm
In de woningen worden energiebesparende voorzieningen getroffen uit oogpunt van milieu en duurzaamheid, zoals onder andere wand-, dak- en vloerisolatie, vloerverwarming, kozijnen met drie dubbele beglazing, gasgestookte HR-ketels in combinatie met hybride warmtepompen. De energieprestatie normering is het instrument om energiezuinigheid te toetsen. De energieprestatie coëfficiënten voor de woningen in het woningbouwproject voldoen aan de genormeerde energieprestatie coëfficiënt (EPC) van 0,4 gesteld in het Bouwbesluit ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning.

Luchtverversing/ ventilatie
Natuurlijke toevoer door middel van ZR roosters in de kozijnen ter plaatse van de verblijfsruimten. Mechanische afvoer in ruimten (o.a. afzuiging in toiletruimten, badruimten en verblijfsruimten welke zijn voorzien van opstelplaats kooktoestel). Ventilatieretourlucht via ventilatiesysteem met een luchtdichtheidsklasse conform EPC-berekening.

Verwarmingsinstallatie
Verwarming door middel van hybride warmtepomp + HR-combiketel in combinatie met vloerverwarming en radiatoren.

Conclusie

Het planinitiatief heeft al een lange doorlooptijd (vanaf oktober 2013). De afspraken over de ontwikkeling zijn vastgelegd in een op 6 februari 2018 gesloten anterieure overeenkomst grondexploitatie. Inmiddels is 29 december 2017 een aanvraag omgevingsvergunning is ingediend. Hoewel de woningen niet gasloos worden gebouwd is er veel aandacht voor duurzaam bouwen. De woningen worden duurzaam gebouwd door toepassing van onder andere een warmteterugwinning-installatie (wtw-unit), lage temperatuurverwarming en triple-glas, zodat nagenoeg energieneutrale woningen worden gerealiseerd. Bij uitwerking van de bouwplannen zal zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de gemeentelijke duurzaamheidsambities. Met inachtneming van het vorenstaande kan worden gesteld dat de woningen overeenkomstig de gemeentelijke doelstellingen duurzaam worden gebouwd.

3.3.6 Kaders klimaatbeleid 2008-2020

In deze nota zijn de kaders voor toekomstig klimaatbeleid vastgelegd. Algemene doelstelling van het klimaatbeleid is (1) een reductie van de CO2-uitstoot in 2020 van 30 procent ten opzichte van 1990 en (2) de realisatie van 20 procent duurzame energie in 2020. Bij de ontwikkeling en uitvoering van het klimaatbeleid/ energiebeleid wordt de trias energetica aangehouden als leidend principe:

  • 1. Beperking van de energievraag;
  • 2. Opwekking noodzakelijke energie door gebruikmaking van duurzame energiebronnen;
  • 3. Indien nodig dient de opwekking van de resterende noodzakelijke energie door middel van gebruikmaking van fossiele brandstoffen, zo efficiënt en zo schoon mogelijk te geschieden.

Het klimaatbeleid is uitgewerkt in tien thema's. Per thema is aangegeven wat de beoogde CO2-reductie of beoogde realisatie van duurzame energie binnen dat thema is. De thema's zijn:

  • Gemeentelijke gebouwen, bestaand en nieuwbouw;
  • Bestaande woningen;
  • Nieuwbouw woningen;
  • Bestaande bedrijven;
  • Agrarische bedrijven/ Glastuinbouw;
  • Nieuwe bedrijven;
  • Verkeer en vervoer;
  • Windenergie;
  • Overige duurzame energie;
  • Interne milieuzorg.

Daarnaast zijn twee randvoorwaarden benoemd voor het realiseren van de doelstellingen binnen de thema's. Zo zal de cultuur en de kennis binnen de gemeentelijke organisatie moeten zorgdragen voor voldoende draagvlak. Verder zal het Natuur- en milieucentrum Haarlemmermeer als expertisecentrum fungeren en bijdragen aan klimaatbewustwording en actiebereidheid tot energiezuinig en op duurzaamheid gericht gedrag bij zowel burgers als bedrijven. De uitwerking van thema's en randvoorwaarden zal resulteren in een nog te schrijven gemeentelijk plan van aanpak.

3.3.7 Handboek parkeernormen gemeente Haarlemmermeer (2018)

In het door burgemeester en wethouders op 6 februari 2018 vastgestelde 'Handboek parkeernormen gemeente Haarlemmermeer 2018' zijn de parkeernormen geactualiseerd. Bij het Handboek hoort een parkeernormentabel. Deze tabel is een integraal onderdeel van de beleidsregel. De tabel bestaat uit een samenvoeging van de parkeerkencijfers uit:

  • CROW-publicatie 317;
  • CROW-publicatie 182 voor zover deze niet in publicatie 317 zijn geactualiseerd;
  • Andere normen op basis van ervaringen bij het toepassen van parkeerbeleid. Het betreft normen voor functies die niet in een van de genoemde CROW-publicaties voorkomen.

Het Handboek parkeernormen gemeente Haarlemmermeer 2018 en de bijbehorende tabel vervangen hiermee alle eerder vastgestelde algemene parkeernormen. Parkeernormen die zijn vastgelegd in vigerende bestemmingsplannen blijven voor het betreffende bestemmingsplan van kracht.

Met het handboek en bijbehorende berekeningsblad kan voor benoemde situaties de parkeernorm op eenduidige wijze worden vastgesteld. Door combinaties van de zes in te voeren variabelen functie, centrumligging, stedelijkheid, afstand tot HOV-halte of station, recht op OV-vergoeding en doelgroep met traditioneel lager autobezit, wordt de parkeernorm gericht uitgerekend.
De gemeentelijke parkeernormen gelden voor nieuwe ontwikkelingen, nieuwe uitbreidingen of herinrichtingen. In bestaande situaties is uitgegaan van de normen die golden ten tijde van de realisering. Sindsdien is het autobezit en -gebruik echter toegenomen. In een aantal gevallen leidt dat tot knelpunten. De oplossing voor dit soort knelpunten wordt gezocht in maatwerk. Het is niet realistisch om die gevallen te vergelijken met huidige parkeernormen. In plaats daarvan moeten er oplossingen komen die gebaseerd zijn op onderzoek van de bestaande situatie.

Conclusie
De wijze waarop de parkeerbehoefte wordt opgelost in het plangebied is toegelicht in paragraaf 4.4. In de Overige regels van het bestemmingsplan wordt geborgd dat voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd bij de woningen door te verwijzen naar het Handboek parkeernormen gemeente Haarlemmermeer. Bij het indienen van aanvragen omgevingsvergunning dient te worden aangetoond dat hieraan kan worden voldaan.

3.3.8 Welstandsbeleid Haarlemmermeer 2013

Op 4 juli 2013 heeft de gemeenteraad van Haarlemmermeer de Welstandsnota 2013 vastgesteld. Tevens zijn er welstandsvrije gebieden aangewezen. Uitgangspunt bij het geactualiseerde welstandsbeleid is dat welstandstoezicht alleen moet plaatsvinden daar waar dat belangrijk wordt gevonden, zoals ook omschreven in de welstandsnota 2010. Er zijn plekken in de polder waar een esthetische beoordeling niet zo belangrijk is en de ruimtelijke dynamiek meer haar gang kan en mag gaan. Andere plekken verdienen juist weer sturing of bescherming, bijvoorbeeld rond monumenten of bijzondere ensembles. Het beleid is gericht op deregulering: voor minder bouwaanvragen een welstandstoets gebaseerd op minder en duidelijkere regels. Onderhavig plangebied is nagenoeg gelegen in een welstandsvrij gebied (zie figuur 7).

afbeelding "i_NL.IMRO.0394.BPGzwhhanep154x170-B001_0008.png"

Figuur 7: Uitsnede welstandskaart gemeente Haarlemmermeer.

Conclusie
Het plangebied is nagenoeg gelegen in een welstandsvrij gebied. Een klein gedeelte van het plan betreft echter geen welstandsvrij gebied. Het hele plan wordt om die reden daarop beoordeeld, zodat het plangebied in het reguliere welstandsregime ligt. De aanvragen zullen om advies worden voorgelegd aan de welstandscommissie.

Hoofdstuk 4 Nieuwe situatie

4.1 Ontwikkelingen

De voormalige (agrarische) bedrijfsbebouwing wordt gesloopt, zoals een loods, schuren en kassen, om plaats te maken voor in totaal 20 woningen. De 2 voormalige agrarische bedrijfswoningen aan de Hanepoel 154 en 170 worden in het bestemmingsplan positief (voor Wonen) bestemd.
Achter het lint van de Bennebroekerdijk worden voornamelijk twee-onder-één-kapwoningen gerealiseerd. De lintbebouwing aan de Hanepoel wordt opgewaardeerd door enkele woningen toe te voegen met behoud van voldoende open ruimten tussen de woningen.
Het nieuwe woonhof is ruimtelijk en landschappelijk goed inpasbaar, omdat aansluiting wordt gezocht bij de bestaande karakteristiek in de directe omgeving. Om die reden worden alleen grondgebonden woningen toegestaan in de vorm van vrijstaand en twee-onder- één-kapwoningen, die verwant zijn met de woningtypologie in de directe omgeving. Het woongebied wordt ontsloten via de Hanepoel. Tussen de Bennebroekerdijk 37a en 38 komt een langzaamverkeersroute. (Deze ontsluitingsmogelijkheid is al opgenomen binnen de bestemming 'Verkeer' van het bestemmingsplan 'Zwaanshoek'.) Het parkeren dient in beginsel op eigen terrein te worden opgelost.

Het voormalige hoveniersbedrijf met te behouden woning. Te slopen bedrijfsloods aan Hanepoel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0394.BPGzwhhanep154x170-B001_0009.png"

Het huidige binnenterrein vanaf zuidoostzijde. Plangebied vanaf zuidwestzijde.

4.2 Stedenbouwkundige uitgangspunten

De locatie tussen de Bennebroekerdijk en de Hanepoel omvat een serie kavels van verschillende eigenaren. De gronden behoren bij de woningen langs de Bennebroekerdijk en de Hanepoel. De kavels direct aan de Hanepoel zijn ook aan die kant ontsloten. De achterliggende kavels ontsluiten op de Bennebroekerdijk. Het totale plangebied heeft een omvang van 21.563 m².
Het gebied wordt voornamelijk gebruikt door (voormalige) tuinbouwbedrijven met bijbehorende woningen. De woningen aan de Hanepoel zijn vrijstaand in 1 laag met kap, de woningen op de dijk vrijstaand of 2-onder-1-kap of vrijstaand in maximaal 2 lagen met kap. De heersende maximale nokhoogte is 10 meter.

De stedenbouwkundige visie op het gebied tussen de dijk en de Hanepoel richt zich op het versterken van de karakteristieke rustige, groene woonbuurt. Stedenbouwkundige uitgangspunt is dat er een eenduidig beeld aan de Hanepoel ontstaat. Het toevoegen van woningen in Zwaanshoek moet een bijdrage leveren aan de kwaliteiten van het dorp. Aan de Hanepoel wordt gestreefd naar het versterken van het aanwezige bebouwingslint. Het binnenterrein, achter de bestaande woningen, is een op zichzelf gerichte plek met een groene uitstraling. Het behoud van deze eigen ruimtelijke kwaliteit is een uitgangspunt voor toekomstige ontwikkelingen. Toekomstige woningbouw maakt deel uit van deze groene plek. Een dergelijke opzet biedt mogelijkheden voor een eigen woonmilieu binnen het dorp met verblijfskwaliteiten. Alle woningen moeten met een ruime voortuin het groene dorpse karakter versterken. De woningen in het tussengebied achter de dijk dienen minimaal 15 meter afstand tot de woningen langs de dijk te houden.
Het onderhavige initiatief betreft het oprichten van 20 woningen aan de Hanepoel en Bennebroekerdijk, ter vervanging van de bestaande woon- en bedrijfsbebouwing en een hiermee samenhangende correctie van de kavelgrenzen. Het plan omvat 2 vrijstaande en 18 twee-onder-één-kapwoningen op kavels van respectievelijk circa 900 m² en 370-590 m², waarbij conform het geldende bestemmingsplan een maximale goothoogte van 6 m en een maximale bouwhoogte van 10 meter mogelijk wordt gemaakt.

Buitenruimte
Het binnenterrein dient te worden verbonden met het dorpsgroen aan de oostzijde van de Hanepoel, waardoor het onderdeel uitgaat maken van het netwerk van groene plekken in Zwaanshoek. Omdat er een toename is van meer dan 500 m² bebouwing en/of verharding, wordt op grond van de watertoets compensatiewater verlangd. Uitgangspunt is een wateropgave van 15% voor het toevoegen van verhard oppervlak.

Verkeer
De ontsluiting van zowel de woningen aan de Hanepoel als in het binnengebied dient plaats te vinden direct vanaf de Hanepoel. Vanaf de dijk ligt er nu een voetpad op het terrein van het hoogheemraadschap. Dit pad dient vrij te blijven, zodat er een doorsteek vanaf de dijk voor voetgangers ontstaat. Zowel het privaat- als het openbare parkeren dient binnen het plangebied opgelost te worden. Hierbij gelden de vigerende parkeereisen op grond van de CROW.

4.3 Ruimtelijke en functionele structuur

Wonen in het plangebied is de rust van het dorp en het gemak van de stad om de hoek. Het betreft een unieke locatie met een landelijke en rustieke sfeer. De hof biedt een veilige leefomgeving waar bewoners kunnen genieten van de rust en ruimte die Zwaanshoek biedt.

Voor het plan zijn met inachtneming van de stedenbouwkundige randvoorwaarden twee typen woningen ontworpen; een vrijstaande variant en een twee-onder-één-kap variant. Beide varianten staan op grote kavels. Aan de Hanepoel is 1 vrijstaande en 1 twee-onder-één-kapwoning geprojecteerd, die de gaten in het bestaande bebouwingslint opvullen. Het binnengebied toont 18 twee-onder-één-kapwoningen en 1 vrijstaande, gegroepeerd rond een centrale groenplek met twee kleine parkeerkoffers voor bezoekers parkeren. Voor de 2-onder-1-kapwoningen is er sprake van 1 basistype met variatie in het gevelbeeld en kaprichting voor de 4 woningen direct achter het lint aan de Hanepoel.

Het plan bevat ruim 2000 m² groen. De ontworpen buitenruimte zal na realisatie worden overgedragen aan de gemeente als openbaar gebied en zal derhalve conform de eisen van de DIOR worden ingericht.

De parkeerplaatsen voor bewoners worden op eigen terrein aangelegd. De woningen bestaan uit 1 en 2 lagen met een kap met een goothoogte van 3 tot 6 meter en een bouwhoogte van 11 meter. De twee-onder-één-kapwoningen worden uitgevoerd in 1 basistype met meerdere variaties in aanbouwen. Daarbij is het gewenst een differentiatie in materialisatie en kleurgebruik toe te passen, teneinde de in dit gebied kenmerkende differentiatie te bereiken in plaats van een grootschalige uniformiteit. In figuur 8 is een situatietekening opgenomen. Een artist impression van de nieuwbouw is opgenomen in figuur 9.

afbeelding "i_NL.IMRO.0394.BPGzwhhanep154x170-B001_0010.png"

Figuur 8: Situatietekening nieuwe toestand (voorlopig).

afbeelding "i_NL.IMRO.0394.BPGzwhhanep154x170-B001_0011.png"

Figuur 9: Vogelvlucht (voorlopig)

4.4 Verkeer en parkeren

Verkeer
Zwaanshoek ligt aan de rand van de polder en wordt via de Meerweg en Bennebroekerdijk vanuit Bennebroek ontsloten. Vanuit Haarlemmermeer is het dorp bereikbaar vanaf de oude polderwegen de Bennebroekerweg en Spieringweg.
Het plangebied zelf wordt ontsloten op de Hanepoel. Ter plaatse heeft de weg een maximum snelheid van 50 km/ uur. Via de zuidelijk gelegen Bennebroekerweg is de Nieuwe Bennebroekerweg te bereiken. Deze weg sluit aan op de A4. De N205 sluit in het noorden aan op de A9 en in het zuiden op de N207. De geringe toename van het aantal verkeersbewegingen kan worden opgevangen door de bestaande infrastructuur. De N208 is bereikbaar via de Bennebroekerdijk en de brug over de Haarlemmer Ringvaart.
De planlocatie is redelijk bereikbaar met het openbaar vervoer. Zo is er aan de Bennebroekerdijk op loopafstand een bushalte van Connexxion met een rechtstreekse busverbinding tussen Bennebroek en Hoofddorp (via Hoofddorp Centrum naar NS-station Hoofddorp). Het NS station bevindt zich aan de lijn Amsterdam/Schiphol – Leiden.

De fietser maakt gebruik van het bestaande wegennet. Daarnaast zijn er in Zwaanshoek een aantal specifieke fietspaden voor interne verbindingen. Zo is er een smal fietspad (ten noorden van het plangebied) tussen de Hanepoel en de Bennebroekerdijk en een intern fietspad vanuit het 'nieuwere dorp' naar Hanepoel. Voetgangers kunnen via een voetpad vanaf de dijk in de zuidwestelijke punt van het plangebied de Bennebroekerdijk bereiken.

Hanepoel. Bennebroekerdijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0394.BPGzwhhanep154x170-B001_0012.png"

Het fietspad tussen Hanepoel en Bennebroekerdijk. De ontsluitingsweg tegenover het plangebied naar de nieuw gebouwde woningen.

Parkeren
Burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer hebben op 6 februari 2018 de geactualiseerde beleidsregel 'Handboek parkeernormen gemeente Haarlemmermeer 2018' vastgesteld. De basis voor het parkeren zijn de richtlijnen voor wonen zoals opgenomen in CROW-publicatie 317, 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (2012). Het CROW maakt onderscheid in de stedelijkheidsgraad en de locatie. Haarlemmermeer gaat voor Zwaanshoek uit van 'niet stedelijk' als stedelijkheidsgraad. Afhankelijk van de betreffende locatie wordt gekozen voor 'centrum', 'schil centrum', 'rest bebouwde kom' of 'buitengebied', waarin per locatie de bandbreedte wordt bepaald.
Parkeren wordt in eerste instantie op de te ontwikkelen locatie opgelost. Hiervan kan worden afgeweken, bijvoorbeeld als blijkt dat er in de directe omgeving een overcapaciteit aan parkeerplaatsen in de openbare ruimte is. De parkeerkencijfers zijn opgenomen in tabel 4.1.

Tabel 4.1: Parkeerkencijfers woningen gemeente Haarlemmermeer.

Categorie rest bebouwde kom   niet stedelijk (maximum)   Aandeel bezoekers  
koop, vrijstaand   2,7   waarvan 0,3 per woning  
koop, twee-onder-één-kap   2,6   waarvan 0,3 per woning  

De berekening van het parkeeraanbod vindt plaats overeenkomstig de correctiefactoren parkeren op eigen terrein overeenkomst tabel 4.2.

Tabel 4.2: Correctiefactoren parkeren op eigen terrein bij woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0394.BPGzwhhanep154x170-B001_0013.png"

Op basis van deze normering ontstaat de volgende parkeerbalans (tabel 4.3).

Tabel 4.3 Parkeerbalans nieuwe situatie.

Functies   Typologie   Parkeernorm   Aantal   Totaal  
Woningen   vrijstaand   2,7   2   5,4  
Woningen   twee-onder-één-kap   2,6   18   46,8  
Totaal       20   52,2 pp  

In totaal zijn afgerond 52 parkeerplaatsen benodigd. Deze parkeerbehoefte wordt op basis van het verkavelingsvoorstel, inclusief de in tabel 4.2 genoemde correctiefactoren, als volgt opgelost.

Tabel 4.4 Opgave aantal parkeerplaatsen in plangebied, incl. correctiefactoren

Parkeervoorziening   Aantal   berekeningsaantal   Totaal  
garage met dubbele oprit   20   1,8   36  
       
openbare parkeerplaatsen   16     16  
Totaal       52 pp  

Op basis van de opgave in tabel 4.4 is aangetoond dat kan worden voldaan aan de gemeentelijke parkeernorm. De parkeerbehoefte van 20 woningen wordt gerealiseerd door rekenkundig 36 parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren (1,8 per woning). Voorts worden twee parkeerkoffers aangelegd met in totaal 16 haakse parkeerplaatsen conform de hiervoor geldende richtlijnen (2,5 x 5 m). Hiermee wordt voldaan aan de parkeernorm. De nieuw aan te leggen interne ontsluitingsweg is breed genoeg om zonder problemen te kunnen inparkeren. Bij uitwerking van de bouwplannen dient te worden aangetoond dat kan worden voldaan aan de parkeernorm. In de Overige regels van het bestemmingsplan wordt dit geborgd.

Hoofdstuk 5 Onderzoek en beperkingen

5.1 Water

Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding.
Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in onder meer de toelichting bij een bestemmingsplan. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.

5.1.1 Rijksbeleid

Waterwet
De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Ook is via de Invoeringswet Waterwet de saneringsregeling voor waterbodems van de Wet bodembescherming overgebracht naar de Waterwet. Naast de Waterwet blijft de Waterschapswet als organieke wet voor de waterschappen bestaan. Met de Waterwet zijn Rijk, waterschappen, gemeenten en provincies beter uitgerust om wateroverlast, waterschaarste en waterverontreiniging tegen te gaan. Ook voorziet de wet in het toekennen van functies voor het gebruik van water zoals scheepvaart, drinkwatervoorziening, landbouw, industrie en recreatie. Afhankelijk van de functie worden eisen gesteld aan de kwaliteit en de inrichting van het watersysteem.

Nationaal Waterplan 2016-2021 (2015)
Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met deze handelwijze is Nederland koploper en toonaangevend voorbeeld in de wereld.
Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.
Het omvat een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. De ambitie is dat overheden, bedrijven en burgers zich in 2021 meer bewust zijn van de kansen en bedreigingen van het water in hun omgeving. Iedereen neemt zijn eigen verantwoordelijkheid om samen te komen tot een waterrobuuste ruimtelijke inrichting, het beperken van overlast en rampen en verstandig handelen in extreme situaties.

5.1.2 Beleid provincie

Watervisie 2021
De inzet van het provinciaal waterbeleid is om Noord-Holland nog mooier, bedrijviger en veiliger maken. Daarbij moet er een impuls uitgaan voor de leefomgevingskwaliteit en/of het vestigingsklimaat. Waterproblemen worden aangepakt wanneer er toch al gebiedsontwikkeling plaatsvindt.
Voor Haarlemmermeer speelt met name het vinden van toekomstbestendige oplossingen voor de schoonwater- en zoetwaterproblematiek. Voor waterveiligheid wordt uitgegaan van: veilige dijken en duinen (laag 1 en ook de belangrijkste); een waterrobuuste ruimtelijke inrichting van overstromingsgevoelige gebieden (laag 2) en een op overstromingsrampen toegesneden calamiteitenorganisatie (laag 3). Deze meervoudige benadering van waterveiligheid wordt meerlaagsveiligheid" (MLV) genoemd.
Op de kaart Overstromingsrisico Noord-Holland zijn de overstromingsgevoelige gebieden indicatief aangegeven. De provincie maakt nog duidelijk welke gemeenten tot het overstromingsgevoelige gebied worden gerekend en in hun bestemmingsplannen duidelijk moeten maken hoe rekening wordt gehouden met het overstromingsrisico. Daarbij is uitgangspunt het "waterrobuust inrichten": het zodanig inrichten van overstromingsgevoelig gebied dat bij een overstroming de kans op slachtoffers klein is en de economische schade beperkt blijft. Er is nauwelijks overstromingsrisico is vanuit de Noordzee, omdat deze kust grotendeels door een breed duingebied wordt beschermd.

5.1.3 Beleid gemeente

Waterplan Haarlemmermeer 2015-2030

De Strategische Samenwerkingsagenda Haarlemmermeer-Rijnland (verder Waterplan) is een samenwerkingsdocument tussen de gemeente en het hoogheemraadschap. Het geeft de situatie en problemen weer van het hele watersysteem (oppervlaktewater, hemelwater, grondwater en afvalwater) in Haarlemmermeer. Het stelt doelen met betrekking tot de riolering, het oplossen van infrastructurele knelpunten en nemen van maatregelen. Het Waterplan heeft onder andere als ambities:

  • het scheiden van vuil afvalwater en schoon regenwater;
  • het tijdelijk bergen van water om extreme neerslag op te vangen;
  • afvalwater als bron te gebruiken waaruit afvalstoffen en energie gewonnen kunnen worden. Haarlemmermeer past bijvoorbeeld innovatieve ontwikkelingen toe bij het inzamelen van afvalwater zoals riothermie, het winnen van warmte uit afvalwater.

In het Waterplan worden ook grondwatermaatregelen beschreven, omdat deze een belangrijke link hebben met de rest van het watersysteem, zoals oppervlaktewater en de ruimtelijke inrichting. Daarnaast is er in het verleden onvoldoende aandacht besteed aan grondwater, waardoor een inhaalslag nodig is om aan de zorgplicht te voldoen.
De maatregelen die genomen moeten worden om de doelstellingen voor het watersysteem te bereiken, zijn verzameld in het uitvoeringsprogramma van het Waterplan. De financiering van deze maatregelen komt uit verschillende bronnen, waaronder het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP).

Gemeentelijk Rioleringsplan 2015-2019
De gemeente is op grond van de Wet milieubeheer verplicht periodiek een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) vast te stellen om invulling te geven aan haar zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Het GRP bevat rioleringsbeleid en een overzicht van alle aanwezige rioleringsvoorzieningen, inclusief de actuele toestand ervan en de te verwachten vervangingsperioden. Ook geeft het plan inzicht in de wijze waarop de riolering wordt beheerd, welke effecten er zijn voor het milieu en hoe het beheer wordt gefinancierd.
De gedachten vanuit de Structuurvisie Haarlemmermeer 2030, Proeftuin klimaatbestendige stad en het integraal Waterplan Haarlemmermeer 2015-2030 zijn ook van toepassing op het gemeentelijke riolerings- en grondwaterbeleid. De rode draad in het beleid is dat de gemeente streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem.

Het GRP geeft basis de planning van nieuwe aanleg, plannen om vuiluitworp te reduceren en plannen voor beheer en onderhoud voor de komende vijf jaar, met een doorkijk naar de verdere toekomst. Bij nieuwbouw en verbouw is het gescheiden aanbieden van het afvalwater en het hemelwater het uitgangspunt. Voor nieuwbouwwijken en grotere reconstructiegebieden wordt uitgegaan van een zwaardere ontwerpnorm voor het rioolstelsel, waardoor zwaardere regenbuien minder snel overlast veroorzaken. Om overlast door grondwater te voorkomen voorziet het GRP in de aanleg van drainage in vijf wijken: Rijsenhout-Zuid, Pax, Graan voor Visch (Hoofddorp), Linquenda, Welgelegen (Nieuw-Vennep), en het uitvoeren van grondwatermaatregelen in Zwanenburg. Vanuit het Bestuursakkoord Water heeft de gemeente verdere invulling gegeven aan een verbetering van de samenwerking met omliggende gemeenten en met het Hoogheemraadschap van Rijnland.

5.1.4 Beleid hoogheemraadschap van Rijnland

Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Dit schap is in het gebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding: het waterkwaliteitsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen. Voor elk bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de effecten van de bouwmogelijkheden op het waterbeheer. De waterbeheerder voert de Watertoets uit. De Watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. De opmerkingen van de waterbeheerder worden verwerkt in deze waterparagraaf.

Taken en bevoegdheden van Rijnland als waterbeheerder
Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water.
Wat betreft de veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Voor voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken, zoals gemalen, duikers en stuwen, op orde zijn en toekomstbestendig worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering.
Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties.

In het Waterbeheersplan (WBP5) geeft Rijnland richting aan het waterbeheer in de periode 2016 – 2021. Dit is een uitwerking van het coalitieakkoord (2015), waarin het bestuur van Rijnland de koers voor de komende jaren heeft uitgezet. In maart 2016 is het WBP5 vastgesteld (zie http://www.rijnland.net/plannen/waterbeheerplan). In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol.

Keur en beleidsregels
Op grond van de Waterwet is Rijnland als hoogheemraadschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:

  • waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden),
  • watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken),
  • andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen),
  • de bodem van kwelgevoelige gebieden,

maar ook aan:

  • onttrekken en lozen van grondwater,
  • het aanbrengen van verhard oppervlak.

Per 1 juli 2015 is een nieuwe Keur in werking getreden met daarbij horende uitvoeringsregels. De Keur gaat uit van een “ja, tenzij” benadering; handelingen met een klein risico vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of is een watervergunning vereist (zie http://www.rijnland.net/regels/keur-en-uitvoeringsregels). De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Raadpleeg daarvoor de vergunningencheck via www.rijnland.net.

Hemelwater
Indien een toename van het verhard oppervlak plaats vindt, dient de initiatiefnemer een oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen.

Riolering en afkoppelen
Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijv. door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen.
De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.

5.1.5 Onderzoek

Waterhuishoudkundige situatie
Het plangebied maakt waterstaatkundig onderdeel uit van de Haarlemmermeerpolder. De bodem bestaat uit kleidek op veen. Volgens de Bodemkaart van Nederland is ter plaatse van het plangebied sprake van grondwatertrap VI. Dat betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand varieert tussen de 0,40 m en de 0,80 m beneden maaiveld en dat de gemiddeld laagste grondwaterstand meer dan 1,20 m beneden maaiveld ligt.
In het plangebied ligt een inlaatduiker vanaf de Ringvaart. In figuur 10 is dit weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0394.BPGzwhhanep154x170-B001_0014.png"

Figuur 10. Uitsnede Legger oppervlaktewateren van het Hoogheemraadschap Rijnland.

Veiligheid/ Waterkering
Het plangebied ligt in het westelijk plandeel gedeeltelijk in de beschermingszone van de Ringvaart. Een klein gedeelte ligt binnen de kernzone. Voor deze zone is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering opgenomen. Het keringenbeleid is van toepassing op de kern- en beschermingszone van de waterkering. Om het waterstaatsbelang te beschermen dient voorafgaande aan bouwwerkzaamheden toestemming te worden gevraagd van het hoogheemraadschap, waarin het waterkeringsbelang (in de beschermingszone) kan worden afgewogen. In figuur 11 is een uitsnede van de Legger van de Regionale Kering opgenomen.

In verband hiermede heeft initiatiefnemer - naast het vooroverleg op basis van dit bestemmingsplan - bij het Hoogheemraadschap een Watervergunning aangevraagd voor vergunningplichtige activiteiten. Deze watervergunning heeft het Hoogheemraadschap op 1 augustus 2018 met registratienummer V66546 verleend.

afbeelding "i_NL.IMRO.0394.BPGzwhhanep154x170-B001_0015.png"

Figuur 11: Uitsnede Legger Regionale kering van het Hoogheemraadschap Rijnland.

Beschrijving waterkwantiteit
Op grond van de richtlijnen van het hoogheemraadschap dient 10% van het verhard oppervlak te worden gecompenseerd met water, wanneer de verharding met meer dan 500 m² toeneemt ten opzichte van de oorspronkelijke situatie. De exacte hoeveelheid compensatie is afhankelijk van het bergend vermogen van de bodem in het peilgebied. Het realiseren van watercompensatie is hier nodig, omdat het verhard oppervlak in het peilgebied toeneemt. (Bij de berekening compensatie oppervlaktewater is uitgegaan dat 50% van de tuin verhard is). In casu zal er circa 351 m² (zijnde 15% van 2.340 m²) vervangend water moeten worden gerealiseerd binnen het plangebied. De planopzet is zodanig dat 802 m² extra water wordt gerealiseerd. Compensatie vindt plaats door middel van aanleg van nieuwe watergangen in het plangebied. De berekening is in tabel 5.1 weergegeven.

Tabel 5.1 Wateropgave.

afbeelding "i_NL.IMRO.0394.BPGzwhhanep154x170-B001_0016.png"

Waterafvoer
Bij nieuwe woningbouwlocaties is het de bedoeling om een (verbeterd) gescheiden rioolstelsel aan te leggen. Onderhavige planontwikkeling zal worden aangetakt op de aanwezige riolering. Het hemelwater van de daken van de woningen zal worden afgevoerd naar de (aanwezige) sloten c.q. de gemeentelijke riolering. Het afvalwater van de nieuwbouw zal op het riool worden aangesloten overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Geen gebruik wordt gemaakt van uitloogbare bouwmetalen.

5.1.6 Conclusie

Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen de in dit bestemmingsplan opgenomen planontwikkeling. Voor vergunningplichtige activiteiten binnen het plangebied heeft het Hoogheemraadschap op 1 augustus 2018 een watervergunning verleend.

5.2 Bodem

5.2.1 Wet- en regelgeving

Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft.

5.2.2 Onderzoek

In verband met onderhavige planontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek overeenkomstig de onderzoeksnormen NEN 5725 en NEN 5740 uitgevoerd door IDDS te Noordwijk (rapport van 28 juli 2017, kenmerk 1703K316/JHA/rap1, Bijlage 1). Op basis hiervan kunnen de volgende conclusies worden getrokken (overgenomen uit rapport).

Conclusies
Aan de hand van de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:

Deellocatie 1 (perceel 3510)

  • In de grond zijn zintuiglijk plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (metselpuin, baksteen en textiel) waargenomen.
  • Op het maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen.
  • De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met PAK, PCB’s en minerale olie.
  • De ondergrond is niet verontreinigd met alle onderzochte parameters.
  • Het grondwater is niet verontreinigd met alle onderzochte parameters.

Deellocatie 2 (perceel 4850)

  • In de grond zijn zintuiglijk plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (baksteen) waargenomen.
  • Op het maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen.
  • De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met kwik, lood en OCB’s.
  • De ondergrond is licht verontreinigd met minerale olie.
  • Het grondwater is niet verontreinigd met alle onderzochte parameters.

Deellocatie 3 (perceel 2342)

  • In de grond zijn zintuiglijk geen bijmengingen met bodemvreemde materialen waargenomen.
  • Op het maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen.
  • De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met kwik, lood, PAK, PCB’s en OCB’s.
  • De ondergrond is niet verontreinigd met alle onderzochte parameters.
  • Het grondwater is licht verontreinigd met naftaleen.

Deellocatie 4 (perceel 3336)

  • In de grond zijn zintuiglijk geen bijmengingen met bodemvreemde materialen waargenomen.
  • Op het maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen.
  • De bovengrond is licht verontreinigd met kwik en lood.
  • De ondergrond is niet verontreinigd met alle onderzochte parameters.
  • Het grondwater is niet verontreinigd met alle onderzochte parameters.

Deellocatie 5 (percelen 2348 en 2349)

  • In de grond zijn zintuiglijk plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (metselpuin en baksteen) waargenomen.
  • Ter plaatse van de bedrijfsruimte zijn asbestverdachte materialen waargenomen in de vorm van golfplaten op het dak. Op het maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen.
  • De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met PAK en minerale olie.
  • De ondergrond is licht verontreinigd met PAK.
  • Het grondwater is niet verontreinigd met alle onderzochte parameters.

Deellocatie 6 (perceel 3511)

  • In de grond zijn zintuiglijk plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (metselpuin, baksteen, sintels, asfalt en beton) waargenomen.
  • Ter plaatse van boringen 16 en 24 zijn op het maaiveld asbestverdachte materialen waargenomen in de vorm van plaatmateriaal. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen. Echter onderzoek naar asbest in de bodem heeft hier niet plaats gevonden.
  • In enkele boringen onder het asfalt en beton zijn bijmengingen met bodemvreemde materialen (baksteen, metselpuin, sintels, asfalt, beton) waargenomen, welke mogelijk asbestverdacht zouden kunnen zijn. Naar aanleiding hiervan zijn een tweetal mengmonsters samengesteld, welke indicatief zijn geanalyseerd op asbest. In de monsters is analytisch geen asbest aangetoond.
  • De bovengrond is plaatselijk sterk verontreinigd met PAK en licht verontreinigd met kobalt, PCB’s en minerale olie. De geschatte omvang van het bodemvolume verontreinigde grond is per puntbron < 25 m³. Er is naar de mening van IDDS geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming.
  • De ondergrond is niet verontreinigd met alle onderzochte parameters.
  • Het grondwater is niet verontreinigd met alle onderzochte parameters.

Gelet op de onderzoeksresultaten dient de hypothese onverdacht voor de onderzoekslocatie te worden verworpen. Er zijn immers lichte tot sterk verhoogde waarden gemeten. Beperkingen inzake het verlenen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen) worden op basis van de onderzoeksresultaten uit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien. Echter wordt geadviseerd om, wanneer graafwerkzaamheden plaatsvinden ter plaatse van de sterk verontreinigde grond, deze apart te ontgraven en af te voeren.

5.2.3 Conclusie

Er zijn milieuhygiënisch geen beperkingen, nadat tijdens het bouwrijpmaken van het plangebied de sterke verontreinigde grond apart wordt afgegraven en afgevoerd. Deze aanbeveling wordt overgenomen. Bij het aanvragen omgevingsvergunning wordt dit geborgd dat het opnemen van voorwaarden in de betreffende besluiten.
Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid van het bevoegd gezag.

5.3 Flora en fauna

5.3.1 Wet- en regelgeving

Op 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Doelen van de Wet natuurbescherming zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Wet Natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is komen te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap.

5.3.2 Onderzoek

In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen speciale beschermingszones aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn, zodat uit dien hoofde geen beperkingen worden opgelegd aan deze woningbouwontwikkeling.
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied of beschermd natuurmonument. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied, 'Kennemerland Zuid', bevindt zich op een afstand van circa 3 km ten westen van het plangebied. Sprake is alleen van een kleinschalige transformatie om woningbouw mogelijk te maken, zodat dit Natura2000-gebied niet wordt beïnvloed. Evenmin worden (significante) externe effecten op Natura2000-gebieden verwacht. De functiewijziging heeft evenmin nadelige gevolgen voor het NNN.

Bij een bestemmingsplanherziening c.q. nieuwbouwplannen moet bekeken worden wat het effect is op de aanwezige flora- en fauna. In verband hiermede heeft Groot Eco Advies een flora- en faunatoets uitgevoerd (rapport van 18 juli 2017, rapportnummer 2017-042, Bijlage 2). Op basis van een inventarisatie, literatuuronderzoek en een verkennend onderzoek kunnen de volgende conclusies en aanbevelingen worden getrokken (overgenomen uit het rapport):

Conclusies
Gebiedsbescherming
Gebiedsbescherming is niet aan de orde.

Beschermde soorten
Op basis van deze quickscan wordt geconstateerd dat te slopen gebouwen potenties herbergen voor jaarrond beschermde broedvogels. Daarnaast zijn potenties aanwezig voor ontheffing plichtige soorten als Wezel, Bunzing en Hermelijn en de zwaar beschermde vleermuissoorten. Nader onderzoek is daarom noodzakelijk.
Aanbevelingen

  • Onderzoek naar vleermuizen uitvoeren (5 bezoeken in periode half mei-half oktober).
  • Onderzoek naar Huismus en Gierzwaluw uitvoeren (respectievelijk half maart-half mei en juni-juli).
  • Onderzoek naar Wezel, Bunzing en Hermelijn met behulp van cameravallen uitvoeren. Periode mei-augustus.

Als vervolg op het ecologisch onderzoek heeft Groot Eco Advies een inventariserend onderzoek uitgevoerd naar beschermde soorten, te weten de Huismus, de Gierzwaluw, Uilen, Kleine marters en Vleermuizen (rapport van 22 augustus 2018, rapportnummer 2018-054). Aangetroffen zijn Huismus, Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. De aanwezige nesten van Huismus worden niet aangetast in het kader van het nieuwbouwplan. Dit geldt ook voor de gebiedsfuncties voor de vleermuizen. De bestaande infrastructuur blijft gehandhaafd en daarmee ook de gebiedsfuncties. Verblijfplaatsen zijn niet aangetroffen. Gierzwaluw en kleine marters zijn niet aangetroffen. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is dan ook niet nodig.

Algemene Zorgplicht
De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van het in het wild levende dier. Dat betekent dat voor de wet alle dieren van onvervangbare waarde zijn en dat mensen daar niet onzorgvuldig mee mogen omspringen. Vanuit deze gedachte is de zorgplicht in de wet opgenomen. De zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten (en dus niet alleen de beschermde) en hun leefomgeving. Dit is een algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt. Concreet betekent dit dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

5.3.3 Conclusie

Op basis van de per 1 januari 2017 geldende Wet natuurbescherming en het provinciale natuurbeleid is nader onderzoek uitgevoerd naar enkele beschermde soorten, te weten de Huismus, Gierzwaluw, kleine marters en vleermuizen. Uit de resultaten van dit onderzoek is gebleken dat er geen ontheffing nodig is in het kader van de Wet natuurbescherming. Met inachtneming hiervan kan worden geconcludeerd dat er vanuit de gebiedsbescherming en soortenbescherming geen belemmeringen bestaan voor deze planontwikkeling.

5.4 Cultuurhistorie en archeologie

5.4.1 Wet- en regelgeving

Rijksbeleid
In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.
In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn:

  • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ);
  • in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden;
  • de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen.

Het verdrag is geïmplementeerd in thans de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden.

Cultuurhistorie en monumenten

Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. In het plangebied staat geen cultuurhistorische bebouwing. Evenmin worden de cultuurhistorische waarden in en rondom het gebied aangetast.

Archeologiebeleid gemeente Haarlemmermeer (2012)
De gemeenteraad van Haarlemmermeer heeft op 17 februari 2011 de gemeentelijke beleidsnota 'Erfgoed op de kaart' vastgesteld. Speerpunten van de nota zijn archeologie, het cultureel erfgoed beter benutten bij ruimtelijke ontwikkelingen en herbestemming van monumenten. In de Haarlemmermeer zijn op bescheiden schaal archeologische waarden aangetoond. Op een aantal plaatsen is bij nieuwe ontwikkelingen, vooral als deze grootschalig zijn, verkennend archeologisch onderzoek vereist. De gemeente voert dan ook een beleid dat in eerste instantie gericht is op behoud van waardevolle elementen en structuren, waarbij de omvang van de bodemverstorende activiteit bepalend is. Op grond van de archeologische beleidskaart blijkt dat voor het plangebied een hoge archeologisch verwachting geldt, waarbij archeologisch onderzoek is vereist bij plannen gelijk of groter dan 500 m² en bodemingrepen dieper dan 0,4 m. Dit is geborgd in het geldende bestemmingsplan door het opnemen van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. In verband hiermede is onderzoek naar archeologie uitgevoerd.

5.4.2 Onderzoek

Vestigia B.V. te Amersfoort heeft een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (rapport van 30 mei 2017, rapportnummer V1499, Bijlage 4). Op basis van het bureauonderzoek kunnen de volgende conclusies en aanbevelingen worden getrokken (overgenomen uit het rapport).

Het bureauonderzoek had tot doel na te gaan of er reeds bekende archeologische waarden in de vorm van archeologische monumenten, waarnemingen of vondsten binnen het plangebied bekend zijn en om een gespecificeerde archeologische verwachting te bepalen. Binnen het plangebied bevinden zich geen bekende archeologische waarden. Op basis van de gemeentelijke archeologische beleidskaart en het onderhavige bureauonderzoek had het plangebied een middelhoge archeologische verwachting op sporen uit het Neolithicum/Bronstijd en de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd. Om het archeologisch verwachtingsmodel te toetsen is vervolgens een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Tijdens het booronderzoek zijn in de boringen enkel sedimenten waargenomen die aanleiding geven voor een lage archeologische verwachting; er bevonden zich geen archeologische indicatoren in de boringen. Het verwachte sediment met een middelhoge archeologische verwachting (strandzanden of veraard veen) is niet waargenomen en de bodem in de overige sedimenten geven geen aanleiding tot een verhoogde verwachting.

Advies
Gezien het aangetroffen bodemprofiel en het ontbreken van archeologische indicatoren in de boringen, kan worden gesteld dat de kans op het aantreffen van een (intacte) archeologische vindplaats klein is. Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek is de archeologische verwachting voor het plangebied daarom bijgesteld naar ‘laag’ en adviseert Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie dan ook geen vervolgstappen in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), zodat het plangebied kan worden vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen. De meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming blijft van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische ‘toevalsvondst’ wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Haarlemmermeer en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

5.4.3 Conclusie

Het archeologisch onderzoek geeft aanleiding om de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' hierop aan te passen. Met inachtneming hiervan tast het initiatief de archeologische en cultuurhistorische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.

5.5 Geluid

5.5.1 Wet- en regelgeving

Wegverkeer
In de Wet geluidhinder is bepaald dat het bevoegd gezag bij vaststelling van een bestemmingsplan de wettelijke grenswaarden in acht moet nemen. Toetsing aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de Wet geluidhinder vindt plaats per weg. Het geluidsniveau ten gevolge van het wegverkeer dient op de gevels van nieuwe (of te wijzigen) woningen in de geluidszone van een weg te voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorheen: voorkeursgrenswaarde). Deze bedraagt 48 dB. Indien dit geluidsniveau wordt overschreden kan de gemeente een hoger geluidsniveau toestaan de zogenaamde "Hogere waarde". De Hogere waarde mag enkel worden verleend indien uit akoestisch onderzoek is gebleken dat bron-, overdrachts- of gevelmaatregelen om het geluidsniveau terug of onder de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting te brengen niet mogelijk is. Aan de Hogere waarde is een maximum verbonden. Voor de nieuwbouw van woningen in binnenstedelijke situaties is dit 63 dB en in buitenstedelijke situaties is dit 53 dB. Deze niveaus zijn na aftrek van de correctie conform artikel 110g van de Wet geluidhinder.

Spoorlawaai
Bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 4.1 van het Besluit geluidhinder (Bgh) iedere spoorlijn in beschouwing te worden genomen ter bepaling van de geluidsbelasting. Deze spoorwegen hebben een door de Minister vastgestelde zone, volgens artikel 1 van de Wet geluidhinder. Binnen deze zone dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden.

Industrielawaai
Op basis van artikel 40 van de Wet geluidhinder kunnen (delen van) industrieterreinen worden aangewezen als gezoneerd industrieterrein met een zonegrens. Dit betreft industrieterreinen waarop zich gronden bevinden die zijn aangewezen voor mogelijke vestiging van zogenaamde "zware lawaaimakers" als genoemd in artikel 41 lid 3 van de Wet geluidhinder en artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht. Buiten de zonegrens mag de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB niet te boven gaan. De op 1 januari 2007 geldende ten hoogste toelaatbare geluidsbelastingen voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen – vastgelegd in eerder genomen besluiten – blijven gelden.

Luchtverkeerslawaai
Op grond van artikel 8.30a van de Wet luchtvaart stelt de Minister elk vijfde kalenderjaar een geluidsbelastingkaart vast. Die heeft betrekking op de geluidsbelasting (overdag (Lden) en 's nachts (Lnight) veroorzaakt door de luchthaven op woningen en bij Algemene Maatregel van Bestuur aan te wijzen categorieën van andere geluidgevoelige gebouwen.

5.5.2 Onderzoek

Wegverkeer
De relevante wegen in de directe omgeving van het plangebied zijn de Hanepoel, Bennebroekerdijk en Meerweg. Op deze wegen is de maximum snelheid 50 km/h. Deze wegen zijn binnenstedelijk en heeft een zonebreedte van 200 meter. De overige wegen (Hofstede en Jacob van Heemskerklaan) binnen een zone van 200 meter zijn zogenaamde 30 km/uur gebieden. In deze situatie is sprake van bestaande wegen en nieuwe woningen. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe woningen bedraagt (inclusief aftrek) 48 (dB) Lden met een maximale ontheffingswaarde van 63 (dB) Lden. Indien de gemeten belasting genoemde waarde overschrijdt, dient in eerste instantie onderzocht te worden of maatregelen mogelijk zijn die de geluidsbelasting verlagen tot de voorkeursgrenswaarde of minder.
In verband met het vorenstaande is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door S&W Consultancy BV te Vlissingen (rapport van 18 mei 2018, projectnummer 2170570, versie 2, Bijlage 5). Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat ten gevolge van wegverkeerslawaai de voorkeursgrenswaarde van 48 (dB) Lden voor de woningen niet wordt overschreden. De maximale waarde bedraagt voor de woningen 48 dB na 5 dB aftrek volgens artikel 110g van de Wet geluidhinder.

Spoorlawaai
In de nabijheid van het plangebied ligt geen spoorlijn.

Industrielawaai
In voornoemd akoestisch onderzoek is ook aandacht besteed aan het zuiden gelegen bedrijventerrein Hanepoel. Dit betreft een niet gezoneerd industrieterrein in het kader van de Wet Geluidhinder. Op het bedrijventerrein zijn bedrijven gevestigd in de milieucategorieën 1 en 2, waarvoor in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter bedraagt. Op grond van de bedrijfsgebonden overgangsrecht zijn hier ook nog enkele bedrijven gevestigd in de milieucategorieën 3.1 en 3.1. Voor deze bedrijven dient in beginsel een richtafstand van 50 m te worden aangehouden. De situatie op en om deze bedrijven is echter zodanig dat deze ondanks de milieucategorisering te combineren is met de directe woonomgeving. Het is echter niet wenselijk dat deze bedrijven uitbreiden of dat de hogere milieucategorie blijvend wordt gemaakt. Bij beëindiging hiervan kunnen alleen nieuwe bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2 zich vestigen. De bedrijven zijn daarnaast gelegen in een bedrijfsverzamelgebouw zodat uitbreiding ook niet aan de orde is.
Gelet op de aard van de bedrijfsactiviteiten en de afstand tussen de dichtstbijzijnde woningen en het bedrijfsverzamelgebouw van circa 30 meter vormen deze bedrijfsactiviteiten geen belemmering voor deze bedrijven, temeer daar er in de directie omgeving enkele woningen staan. Andersom geredeneerd is voor de woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Luchtverkeerslawaai

Op basis van het ‘Actieplan omgevingslawaai Schiphol’, periode 2013-2018 d.d. 14 januari 2014, is vastgesteld dat de nieuw te realiseren woningen niet zijn gelegen binnen de geluidscontouren van luchthaven Schiphol. Daaruit kan worden geconcludeerd dat de woningen niet geluidsbelast zijn door luchtvaartlawaai. Tevens vallen de woningen niet binnen de contouren van het ‘beperkingengebied’, zoals bedoeld in het ‘Luchthavenindelingbesluit Schiphol’. Binnen dit gebied zijn geen woningen, woonwagens, gebouwen met een onderwijsfunctie of gebouwen met een gezondheidsfunctie toegestaan, behoudens bestaand gebruik. Er hoeft geen verklaring van geen bezwaar te worden verkregen voor het realiseren van de woningen. Vanuit luchtverkeerslawaai zijn er geen bezwaren tegen deze planontwikkeling. Voor het overige wordt verwezen naar paragraaf 3.1.3.

5.5.3 Conclusie

Vanuit de Wet geluidhinder bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling, die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.

5.6 Lucht

5.6.1 Wet- en regelgeving

Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse.
Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in de onderstaande tabel. Vanaf 2011 zijn de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 van kracht. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden. Tot deze grenswaarden gelden, zijn er voor NO2 minder strenge grenswaarden van kracht.

Tabel 5.2: Grenswaarden Wet luchtkwaliteit

stof   jaargemiddelde   uurgemiddelde   24-uursgemiddelde   Opmerkingen  
NO2   40 µg/m3   200 µg/m3   n.v.t.   Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden  
PM2,5   25 µg/m3   n.v.t.   n.v.t.   n.v.t.  
PM10   40 µg/m3   n.v.t.   50 µg/m3   24-uursgemiddelde mag 35x per jaar worden overschreden  

Wet luchtkwaliteit
De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijk plan of project doorgang kan vinden indien:

  • a. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; en
  • b. de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; en
  • c. een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht; (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10, PM2,5) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 µg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld.)
  • d. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten (projecten In Betekenende Mate of IBM-projecten) tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen.

Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Onder andere voor woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

5.6.2 Onderzoek

Met het plan wordt beoogd in totaal 20 woningen te realiseren. Het aantal woningen valt ruim onder de grens van 1500 woningen die opgenomen is in het Besluit NIBM, In de huidige situatie voldoet de luchtkwaliteit in het plangebied aan de luchtkwaliteit-grenswaarden. Volgens de prognoses wordt de luchtkwaliteit in de komende jaren, door het schoner worden van het verkeer, steeds beter. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden.

5.6.3 Conclusie

Het project draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht. Daarnaast is er geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden in het plangebied. Aldus staat de realisatie van het bestemmingsplan conform hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen) dan ook niet in de weg.

5.7 Externe veiligheid

5.7.1 Wet- en regelgeving

Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd:

  • Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers.
  • Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR:

  • rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;
  • langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt.

5.7.2 Onderzoek

Transport gevaarlijke stoffen
Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld.
Op 1 april 2015 is het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, weg en het spoor in werking getreden. Met de invoering van het Basisnet beoogt het Rijk een evenwicht tot stand te brengen tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid.

Transport over water
De Ringvaart is op minimaal 45 meter gelegen van het plangebied. Op de Ringvaart worden geen gevaarlijke stoffen vervoerd. In het Basisnet Water is de Ringvaart als groene vaarweg aangemerkt. Dit betekent dat er geen GR verantwoording nodig is. Evenmin geldt hier een plasbrandaandachtsgebied. De Ringvaart vormt derhalve geen beperking voor het plangebied.

Transport over spoor
Er ligt in de directe omgeving van het plangebied geen spoorbaan. Er is dus geen beperking voor het plangebied.

Wegtransport
Er liggen binnen een zone van 200 meter geen rijks- en/of provinciale wegen. Er is dus geen beperking voor het plangebied.

Transport per buisleiding
Voor zoneringsafstanden van hogedruk gasleidingen geldt vanaf 1 januari 2011 de AMvB Buisleidingen. Hierbij dient te worden uitgegaan van de risicoafstanden zoals aangegeven in de AMvB. Er liggen in de nabijheid van het plangebied geen buistransportleidingen.

Inrichtingen
Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt.

Risicokaart Noord-Holland
De risicokaart Noord-Holland geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op de Risicokaart (figuur 12) zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen risicovolle bedrijven gevestigd, zodat er geen belemmeringen zijn voor deze planontwikkeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.0394.BPGzwhhanep154x170-B001_0017.png"

Figuur 12: Uitsnede risicokaart Noord-Holland (plangebied zwart omlijnd).

5.7.3 Conclusie

Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven.
Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), Besluit externe veiligheid Buisleidingen (BEVB) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) staat de uitvoering van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

5.8 Milieuzoneringen

5.8.1 Wet- en regelgeving

Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009).

De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven.
Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

5.8.2 Onderzoek

Het plangebied maakt een woningbouwontwikkeling mogelijk met 20 woningen tussen bestaande lintbebouwing aan de Hanepoel en de Bennebroekerdijk. Ten zuiden van het plangebied ligt een ontsluitingsweg naar aldaar gevestigde bedrijven in de vorm van een bedrijfsverzamelgebouw met bovenwoningen. De locatie kan worden aangemerkt als een gemengd gebied. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in tabel 5.3 vermeld.

Tabel 5.3: Richtafstanden en omgevingstype.

Milieucategorie   Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  

Met behulp van het inrichtingenbestand is geïnventariseerd welke activiteiten relevant kunnen zijn voor de geplande woningen. Voor het bepalen van de milieuzones is uitgegaan van de afstandnormen op basis van de VNG-richtlijn. Uit deze inventarisatie is het volgende gebleken.

Bestaande toegestane bedrijvigheid ten zuiden van het plangebied
Het geldende bestemmingsplan Zwaanshoek staat binnen de bestemming 'Gemengd' op enkele plekken zwaardere bedrijvigheid toe. De bedrijven die hierin zijn genoemd hebben weliswaar de categorie 3.1 en enkele 3.2 gekregen, maar in de praktijk vallen deze bedrijven gelet op de feitelijke werkzaamheden in een veel lagere categorie en daarbij kleinere richtafstanden. Dit blijkt ook uit de verleende milieuvergunningen. Deze bedrijven zijn veelal kleinschalig en niet fabrieksmatig en bovendien gelegen in een bedrijfsverzamelgebouw, zodat uitbreiding ook niet aan de orde is. De glasfabriek op Hanepoel 62 bestaat niet meer.

De situatie op en om deze bedrijven is zodanig dat deze ondanks de milieucategorisering te combineren is met de directe woonomgeving. Het is echter niet wenselijk dat deze bedrijven uitbreiden of dat de hogere milieucategorie blijvend wordt gemaakt. Bij beëindiging hiervan kunnen alleen nieuwe bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2 zich vestigen.

Gelet op de aard van de bedrijfsactiviteiten en de afstand tussen de dichtstbijzijnde woningen en het bedrijfsverzamelgebouw van circa 30 meter vormen deze bedrijfsactiviteiten geen belemmeringen voor deze bedrijven, temeer daar er in de directe omgeving enkele woningen staan. Andersom geredeneerd is voor de woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.8.3 Conclusie

Uit de inventarisatie is gebleken dat er geen relevante milieubelastende activiteiten in de nabijheid van het plangebied zijn gevestigd. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de beoogde activiteiten binnen het plangebied milieuhygiënische knelpunten naar de omgeving zullen opleveren. De woningen hebben een goed woon- en leefklimaat.
De (nog) bestaande bedrijfsactiviteiten in het plangebied zelf worden beëindigd, voor zover deze al niet zijn gesaneerd. Vanuit milieuzonering bestaan er geen bezwaren tegen dit bestemmingsplan.

5.9 Kabels, leidingen en telecommunicatie installaties

5.9.1 Kabels en leidingen

In het plangebied liggen geen planologisch relevante watertransportleidingen en gastransportleidingen, zodat een beschermende regeling niet nodig is.

5.10 Milieueffectrapportage

5.10.1 Wet- en regelgeving

In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Omdat dit project wordt genoemd in de D-lijst (categorie D 11.2, stedelijk ontwikkelingsproject), maar de omvang onder de drempelwaarde van 2.000 woningen ligt, kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling, die onderdeel moet zijn van de toelichting van dit bestemmingsplan.

5.10.2 Onderzoek

Algemeen
De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994. In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven.

Plan/besluit

Dit bestemmingsplan voorziet in het oprichten van 20 woningen. De planontwikkeling zit qua omvang ruim onder de grens voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Op basis van de kenmerken genoemd in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particulier projecten' dient te worden gemotiveerd waarom geen MER noodzakelijk is voor de beoogde ontwikkeling. Het plan is getoetst aan de volgende kenmerken.

  • Kenmerken van het project

Sprake is van een geringe omvang van het plangebied, terwijl er geen cumulatie is met andere projecten. Evenmin is het gebruik van natuurlijke hulpbronnen aan de orde. Voorts is er geen sprake van productie van afvalstoffen en verontreiniging. Hinder wordt ondervangen door voldoende afstand te houden van nabijgelegen milieubelastende activiteiten (in paragraaf 5.8 is hierop nader ingegaan). Risico van ongevallen speelt eveneens niet bij de voorgestelde functiewijziging.

  • Plaats van het project

Het plangebied is niet van historisch, cultureel of archeologisch belang. Dit aspect is beschreven in paragraaf 5.4. De nieuw op te richten woningen liggen niet binnen de invloedssfeer van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied, 'Kennemerland Zuid', bevindt zich op een afstand van circa 3 km ten westen van het plangebied. De nieuwe woningen liggen niet binnen de invloedssfeer van dit Natura 2000-gebied voor wat betreft stikstofdepositie. Dit aspect is beschreven in paragraaf 5.3.

  • Kenmerken van het potentiële effect

Het project heeft in samenhang met de hiervoor genoemde criteria geen aanzienlijke effecten op de bevolking. Evenmin is er sprake van een grensoverschrijdend karakter. De complexiteit is gering gelet op de omvang van het plangebied.

5.10.3 Conclusie

Op basis van bovenstaande korte toelichting in relatie tot vormvrije M.e.r.-beoordeling kan worden geconcludeerd dat de beoogde planontwikkeling geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu tot gevolg zal hebben. De aanmeldnotitie is bij het ontwerpbestemmingsplan gevoegd (Bijlage 6), zodat deze procedureel wordt verankerd. Het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer heeft naar aanleiding van de aanmeldnotitie besloten dat er geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. Dit besluit is als bijlage bij de toelichting opgenomen (Bijlage 7 M.e.r.-beslissing).

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Financiële uitvoerbaarheid

De gemeente en initiatiefnemer/exploitant van de planontwikkeling hebben over de economische uitvoerbaarheid van het plan overleg gehad. De planontwikkeling zal in overeenstemming zijn met provinciale, regionale en gemeentelijke uitgangspunten. De afspraken zijn vastgelegd in een tussen de gemeente en initiatiefnemer/exploitant op 6 februari 2018 gesloten anterieure overeenkomst grondexploitatie. Hiermee is het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd en is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan vast te stellen. Er zijn ook geen overige redenen als bedoeld in artikel 6.12 Wro, om een exploitatieplan vast te stellen. Alle eisen en voorwaarden waaraan moet worden voldaan zijn opgenomen in de anterieure overeenkomst.

6.2 Communicatie

Hier volgt een bespreking van de momenten dat omwonenden ingelicht en betrokken zijn bij de planvorming en hoe de argumentatie zijn weerslag in het bestemmingsplan heeft gevonden.

Op 18 april 2015 heeft de ontwikkelaar samen met de architect deelgenomen aan een woonbeurs in Hoofddorp, georganiseerd door de Gemeente Haarlemmermeer. In mei 2015 zijn omwonenden door middel van een brief geïnformeerd over het planinitiatief. Tevens is er rond die tijd een promotiecampagne gestart ondersteund door Facebook en is er in de wijde omgeving geflyerd. Voorts is er op 21 mei 2015 een meedenkavond gehouden in een bedrijfsruimte aan de Hanepoel 156 in Zwaanshoek. Deze bijeenkomst is bezocht door circa 9 omwonenden. Deze avond heeft de omwonenden duidelijkheid gegeven omtrent de omvang van het plan en invloed op de omgeving.

Op 25 juni 2015 is er door de gemeente Haarlemmermeer in samenwerking met projectontwikkelaars een inloopavond georganiseerd voor inwoners en bedrijven in het Dorpshuis in Zwaanshoek. Tijdens deze avond waren de projectontwikkelaar en architect aanwezig om de plannen toe te lichten.

Het uitgewerkte verkavelingsplan is tijdens een op 16 april 2018 gehouden informatieavond in het Dorpshuis van Zwaanshoek toegelicht door initiatiefnemer. Ongeveer 20  omwonenden hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. In algemene zin kan worden gesteld dat het plan op draagvlak kan rekenen onder de aanwezigen. Wel werden vragen gesteld over de erfafscheidingen van de woningen aan de dijk, de inpassing van de bestaande gemeentelijke riolering en de zorgen omtrent overlast tijdens de bouw. Er is toegezegd dat er vanuit de ontwikkelaars een voorstel komt voor een erfafscheiding tussen het plan en de woningen aan de Bennebroekerdijk. Met het ingenieursbureau van de gemeente Haarlemmermeer vindt overleg plaats over de inpassing van de gemeentelijke riolering in het plan.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De maatschappelijke uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan wordt getoetst aan het vooroverleg met de reguliere overlegpartners en een zienswijzenperiode voor reacties van bewoners en andere belanghebbenden. Het gemeentebestuur hecht veel waarde aan een breed gedragen en haalbaar bestemmingsplan. Bij het vooroverleg met de reguliere overlegpartners wordt daarom ook de dorps- en wijkraden van het plangebied betrokken. De reacties uit zowel het vooroverleg als de zienswijzenperiode worden voorzien van een beantwoording en verwerkt in het bestemmingsplan.

6.3.1 Resultaten wettelijk vooroverleg

Een voorontwerpbestemmingsplan is in het kader van het wettelijk verplichte vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening voorgelegd aan het bestuur van het betrokken waterschap, de dienst van de provincie die betrokken is bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast is met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn, alsmede een aantal andere overleg- en adviesinstanties.

Van de volgende instanties is een vooroverlegreactie ontvangen:

  • 1. Provincie Noord-Holland, ontvangen 11 juli 2018
  • 2. Veiligheidsregio Kennemerland, ontvangen 12 juli 2018
  • 3. gemeente Bloemendaal, ontvangen 17 juli 2018
  • 4. Hoogheemraadschap van Rijnland, ontvangen 24 juli 2018
  • 5. Stichting Dorpsraad Zwaanshoek, ontvangen 6 augustus 2018

De vooroverlegreacties zijn in deze paragraaf samengevat en van een antwoord voorzien.

  • 1. Provincie Noord-Holland

Het voorontwerp geeft de provincie geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.

Reactie gemeente
De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen.

  • 2. Veiligheidsregio Kennemerland

De Veiligheidsregio constateert dat er in de huidige situatie in of in de nabijheid van het plangebied geen risicobronnen gesitueerd zijn. Het is dan ook niet noodzakelijk om in het kader van externe veiligheid maatregelen te treffen om de risico’s te beperken en de mogelijkheden tot zelfredzaamheid en hulpverlening te vergroten.
Opgemerkt wordt dat de Veiligheidsregio zich met betrekking tot het uitbrengen van dit advies heeft beperkt tot zaken die betrekking hebben op c.q. gerelateerd zijn aan (externe) veiligheid. Geadviseerd wordt, om voor de brandveiligheid in het plangebied, bij de definitieve inrichting van het gebied het team Proactie van Brandweer Kennemerland te betrekken om een goede bereikbaarheid en bluswatervoorziening voor het gebied te realiseren.

Reactie gemeente
De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen. Bij uitwerking van de plannen zal het team Proactie van brandweer Kennemerland worden betrokken.

  • 3. Gemeente Bloemendaal

Het voorontwerp geeft de gemeente Bloemendaal geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.

Reactie gemeente
De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen.

  • 4. Hoogheemraadschap van Rijnland

Het hoogheemraadschap geeft aan dat bij de berekening van de toename aan verhard oppervlak dat leidt tot een versnelde afvoer dient de nieuwe situatie met de bestaande situatie te worden vergeleken. Bij de berekening van de bestaande situatie wordt er uitgegaan van daadwerkelijke aanwezige situatie. Bij de berekening van de nieuwe situatie moet er worden uitgegaan van het verhard oppervlak (dak-, weg- en erfverharding) dat bij oplevering aanwezig zal zijn plus 50% van het tuinoppervlak. Met dit laatste wordt rekening gehouden met een verharding van tuinen door individuele bewoners. Tabel 5.1 in de toelichting bij dit plan houdt geen rekening met een verharding van het tuinoppervlak. Uitgaande van hetgeen tussen Rijnland en de initiatiefnemer is besproken, is de toename aan verhard oppervlak 5248 m². Er wordt minimaal 724 m² oppervlaktewater gerealiseerd. Door het stellen van eisen aan het ontwerp van de stuw en de duiker, wordt voorkomen dat er wordt afgewenteld op een lager gelegen peilvak.
Het hoogheemraadschap geeft aan dat de dubbelbestemming Waterkering niet op de plankaart is weergegeven. Gevraagd wordt dit aan te passen. De woningen liggen deels binnen de beschermingszone van de regionale keringen. Het bouwen binnen de beschermingszone is toegestaan, mits de stabiliteit van de kering niet negatief wordt beïnvloed. Conform de stukken die door de initiatiefnemer aan Rijnland zijn overgelegd, zijn de woningen niet voorzien van een kelder. De stabiliteit is dan ook niet in het geding.

Reactie gemeente
Naar aanleiding van de reactie van het Hoogheemraadschap van Rijnland is tabel 5.1 (wateropgave) in paragraaf 5.1.5 van de toelichting aangepast. Voorts is op de verbeelding en in de regels de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen binnen de beschermingszone van de waterkering.
Inmiddels heeft initiatiefnemer - naast het vooroverleg op basis van dit bestemmingsplan - bij het Hoogheemraadschap een Watervergunning aangevraagd voor vergunningplichtige activiteiten. Deze watervergunning heeft het hoogheemraadschap op 1 augustus 2018 met registratienummer V66546 verleend. Dit is eveneens verwerkt in paragraf 5.1.5.

  • 5. Reactie Stichting Dorpsraad Zwaanshoek

De dorpsraad stelt vast dat het voorgenomen bouwplan aan de Hanepoel ligt. Verkeersactiviteiten veroorzaakt door zowel bewoners als bedrijfsactiviteiten leiden daar volgens de dorpsraad tot ongewenste en vaak gevaarlijke situaties.
De dorpsraad wijst er in dat kader op dat er ook nog andere nieuwbouwplannen in voorbereiding zijn die tot een verhoging van verkeersactiviteiten leiden. Reeds nu is dat al een niet gewenste situatie voor het (fiets)verkeer. De dorpsraad geeft aan hierover al langere tijd met de gemeente in gesprek te zijn om tot een oplossing hiervoor te komen.
In haar brief schrijft de dorpsraad verder dat dit plan niet bijdraagt aan doorstroming in Zwaanshoek, omdat er geen sociale woningbouw wordt gerealiseerd. De planontwikkeling levert volgens de dorpsraad ook geen voordeel op voor jongeren uit het dorp die op zichzelf willen gaan wonen.

Reactie gemeente

De Hanepoel is in het Wegcategoriseringsplan 2011 (geactualiseerd in 2015) dat in 2012 samen met het Deltaplan Bereikbaarheid in 2012 is vastgesteld aangeduid als erftoegangsweg binnen de bebouwde kom. Overigens betekent dit niet automatisch dat de weg ook als zodanig is ingericht. Voor een dergelijke weg wordt voor wat betreft de maximale verkeersintensiteit 5.000 tot 6.000 motorvoertuigen per etmaal als grenswaarde aangehouden. Uit verkeerstellingen uitgevoerd in 2018 bleek dat de Hanepoel een rustige straat is. Als de telgegevens worden omgerekend naar etmaalcijfers dan gaat het om ongeveer 500 tot 800 voertuigen (auto, bestelbus en vrachtwagen). De voorgenomen ontwikkeling betreft 20 woningen wat op basis van de CROW-publicatie 317 Verkeersgeneratie rond de 150 extra verkeersbewegingen oplevert per etmaal. Ook gelet op de andere bekende ontwikkelingen die een relatie hebben met de Hanepoel zal de verkeersintensiteit ruim onder de hiervoor genoemde richtwaarde voor de maximale verkeersintensiteit blijven.
Voor een weg als de Hanepoel is het uitgangspunt dat (brom)fietsers op de rijbaan rijden. Dat is hier feitelijk ook het geval. De dorpsraad uit haar zorgen ten aanzien van verkeersveiligheid met name door conflicten tussen bewoners en bedrijfsactiviteiten. Hierover hebben ook reeds gesprekken plaatsgevonden met de dorpsraad. Op basis van de feitelijk geregistreerde ongevallen blijkt echter geen verhoogde verkeersonveiligheid in de Hanepoel, ook niet ter hoogte van het bedrijfsverzamelgebouw direct ten zuiden van het plangebied.
Op grond van hetgeen hiervoor is genoemd is er geen aanleiding om aan te nemen dat het plan geen doorgang zou kunnen vinden op grond van het aspect verkeer/verkeersveiligheid. Over de geuite zorgen van de dorpsraad over de verkeerssituatie bij (met name) het bedrijfsverzamelgebouw ten zuiden van het plangebied blijven wij graag, net als nu, in gesprek met de dorpsraad.
 

De gemeente Haarlemmermeer zet in op het realiseren van voldoende sociale woningbouw in de gemeente. Inzet is om bij nieuwbouw 30% van de nieuw te bouwen woningen te realiseren in het segment sociale huur. Dit streven is vastgelegd in de Woonvisie Haarlemmermeer 2012-2015 en Woonagenda 2015 en is recent bestendigd in de nota 'Uitgangspunten binnenstedelijke nieuwbouw en transformatie' zoals het college dat vaststelde op 11 juli 2017. De genoemde nota stelt echter dat bij relatief kleine projecten, van 30 of minder woningen, de vrijheid voor een marktpartij blijft bestaan om hiervan af te wijken. Deze planontwikkeling valt onder de noemer kleine projecten waarvoor de verplichting om sociale huurwoningen te realiseren niet van toepassing is. Opgemerkt wordt nog dat het realiseren van nieuwbouwwoningen in het vrije sector- of koopsegment eveneens de doorstroming kan bevorderen doordat hiermee in bestaande bouw woningen kunnen vrijkomen in het sociale huursegment voor bijvoorbeeld starters.

6.3.2 Resultaten zienswijzen ontwerpbestemmingsplan

Overeenkomstig artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening is uitvoering gegeven aan de eis het ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen vanaf .. gedurende zes weken. In deze periode zijn ... wel/ geen zienswijzen ontvangen en die hebben wel/ niet tot de volgende wijzigingen geleid.

PM.

Hoofdstuk 7 Juridische opzet

7.1 Opzet regels en verbeelding

De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. De toelichting is niet juridisch bindend, maar kan wel gebruikt worden als nadere uitleg bij de regels.

Op de bij het bestemmingsplan behorende verbeelding zijn alle noodzakelijke gegevens ingetekend. Er wordt onderscheid gemaakt in (dubbel)bestemmingen en aanduidingen. De bestemmingen zijn de belangrijkste elementen. De op de verbeelding opgenomen bestemmingen zijn in overeenstemming met de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). Door deze standaarden wordt de kleur en de codering van de bestemmingen bepaald. Elke op de verbeelding weergegeven bestemming is gekoppeld aan een bestemmingsregel in de regels. De regels laten vervolgens bij elke bestemming zien op welke wijze de gronden binnen de desbetreffende bestemming gebruikt en bebouwd mogen worden. Daarbij wordt onder meer verwezen naar aanduidingen op de verbeelding. Aanduidingen in samenhang met de regels, geven duidelijkheid over datgene wat binnen een bestemmingsvlak al dan niet is toegestaan.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • De 'Inleidende regels', bestaande uit een begrippenlijst en regels met betrekking tot de 'wijze van meten';
  • De 'Bestemmingsregels', die in dit bestemmingsplan te onderscheiden zijn in regels voor 'gewone', rechtstreekse bestemmingen en dubbelbestemmingen;
  • De 'Algemene regels' die in principe betrekking hebben op alle bestemmingen die in het plangebied voorkomen;
  • De 'Overgangs- en slotregels' die bestaan uit het overgangsrecht (voor bestaande bouwwerken en bestaand gebruik dat van het bestemmingsplan afwijkt) en de naam waaronder het bestemmingsplan moet worden aangehaald.

7.2 Inleidende regels

Dit hoofdstuk bevat 2 artikelen.

Artikel 1 Begrippen
In het artikel 'Begrippen' wordt een aantal in de planregels voorkomende begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van deze begrippen beperkt, waarmee de duidelijkheid van het plan en daarmee de rechtszekerheid wordt vergroot.

Artikel 2 Wijze van meten
In het artikel 'Wijze van meten' wordt aangegeven hoe de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald.

7.3 Bestemmingsregels

Dit hoofdstuk bevat de regels waarin de materiële inhoud van de op de verbeelding gegeven bestemmingen zijn opgenomen. Bij de opzet van de artikelen is, zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) bepaalt, een vaste indeling aangehouden. Voor de volgorde van de bestemmingen leidt dit ertoe dat eerst de bestemmingsomschrijvingen worden benoemd en hierna de bouwregels en in voorkomende geval nadere eisen, afwijken van de bouwregels, specifieke gebruiksregels, afwijken van de gebruiksregels en omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

Artikel 3 Groen
Deze bestemming is opgenomen voor de hoofdstructuur van groenvoorzieningen in het plangebied. Wandel- en fietspaden, speelvoorzieningen, waterpartijen en nutsvoorzieningen zoals (ondergrondse) bergbezinkbassins, zijn binnen deze bestemming rechtstreeks toegestaan. Voorts mogen auto's binnen de aanduiding 'parkeerterrein' geparkeerd worden.

Artikel 4 Tuin
In het plan is aan voortuinen en veelal een gedeelte van de zijtuin de bestemming 'Tuin' gegeven. Voor tuinen aan de straatzijde geldt dat in beperkte mate woninguitbreiding is toegestaan, namelijk alleen erkers. Daarbij zijn er begrenzingen gesteld aan de maatvoering van die woninguitbreiding ten opzichte van de overblijvende ruimte op het eigen perceel, met het oog op ruimtelijke kwaliteit.
In de omschrijving van de bestemming Tuin staat als bijbehorende element dat terreinverhardingen zijn toegestaan; dat impliceert de mogelijkheid tot het stallen van motorvoertuigen, waarbij een uitzondering is gemaakt voor kampeermiddelen. Dat deze bestemming het parkeren van een auto toelaat, is uiteraard onverlet eventueel benodigde andere toestemmingen.

Artikel 5 Verkeer
De gronden die bedoeld zijn voor de ontsluiting voor autoverkeer en parkeervoorzieningen zijn bestemd als 'Verkeer'. Binnen deze bestemming zijn wegen en andere verkeersvoorzieningen, zoals fiets- en voetpaden toegestaan. Daarnaast zijn parkeerplaatsen, groen- en watervoorzieningen, speelvoorzieningen, bermen en overige verhardingen toegestaan.
Binnen de bestemming zijn gebouwen toegestaan ten behoeve van de bestemming, daarnaast mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht. De bouwhoogte hiervan mag niet meer bedragen dan 10 meter. Bouwwerken ten behoeve van de verkeersregeling, de verkeers- of wegaanduiding, de verlichting of voorzieningen ter bevordering van de milieukwaliteit vallen hier niet onder en zijn vergunningvrij.

Artikel 6 Water
Het (te graven) oppervlaktewater in het plangebied is bestemd als Water. Binnen deze bestemming mogen water en bruggen worden aangelegd en zijn eveneens vlonders, steigers, overkappingen of daaraan gelijk te stellen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming, groen en voorzieningen voor fiets- en voetverkeer toegestaan.

Artikel 7 Wonen
De op de verbeelding voor 'Wonen' aangeduide gronden zijn, met inachtneming van de nadere aanduidingen, bestemd voor grondgebonden woningen met bijbehorende voorzieningen ten behoeve van de huisvesting van personen. Binnen deze bestemming zijn de volgende bouwwerken toegestaan: gebouwen en bijbehorende bouwwerken, zoals bijgebouwen en aan- of uitbouwen en andere bouwwerken. Hoofdgebouwen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan. Het aantal toegestane woningen per bouwvlak is op de verbeelding met een maatvoeringsaanduiding opgenomen. Op de verbeelding zijn de maximale goot- en bouwhoogten aangegeven. In het bebouwingsgebied zijn bijbehorende bouwwerken toegestaan voor zover die dat toelaten overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 2 en 3 van de in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) genoemde situaties. In de regels zijn nadere voorwaarden gegeven voor de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Artikel 8 Waarde - Archeologie
Voor dit gebied is overeenkomstig het gemeentelijke archeologiebeleid de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen met daaraan gekoppeld een omgevingsvergunningenstelsel.

Artikel 9 Waterstaat- Waterkering
Het bebouwingslint langs de Bennebroekerdijk ligt in een kernzone van de regionale kering. Een klein gedeelte ligt ook binnen het plangebied. Hiervoor is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen. Op deze gronden mogen geen nieuwe gebouwen en bouwwerken worden gebouwd, tenzij advies is ingewonnen bij het hoogheemraadschap.

7.4 Algemene regels

Dit hoofdstuk bevat meerdere artikelen die op de bestemmingen uit hoofdstuk 2 van toepassing zijn.

Artikel 10 Antidubbeltelregel
Het artikel 'Antidubbeltelregel' bevat een regeling waarmee wordt voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot.

Artikel 11 Algemene bouwregels
In het artikel 'Algemene bouwregels' is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Bijvoorbeeld extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals balkons, kelders en ondergronds bouwen.

Artikel 12 Algemene gebruiksregels
In het artikel 'Algemene gebruiksregels' is een algemeen verbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemmingen.

Artikel 13 Algemene aanduidingsregels

In dit artikel zijn de van toepassing zijnde aanduidingen van het Luchthavenindelingbesluit (LIB) opgenomen, zoals vermeld in de artikelen 2.2.2 en 2.2.2.a van het Luchthavenindelingbesluit.

Artikel 14 Algemene afwijkingsregels
Het artikel 'Algemene afwijkingsregels' is gebaseerd op artikel 3.6, lid 1 onder c van de Wro en heeft onder meer tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Met een door het bevoegd gezag te verlenen afwijking kunnen onder meer geringe wijzigingen in de maatvoeringen voor bouwwerken, zoals genoemd in hoofdstuk 2 van de regels, worden aangebracht en (openbare) nutsvoorzieningen worden gerealiseerd.
Aan toepassing van de afwijkingsbevoegdheid dient een belangenafweging ten grondslag te liggen. Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen.

Artikel 15 Overige regels
In dit artikel zijn de overige regels opgenomen.

Parkeerregels
In dit artikel staan de regels ten aanzien van het gemeentelijk parkeerbeleid opgenomen.

Werking wettelijke regelingen
In de regels van een bestemmingsplan wordt in een (toenemend) aantal gevallen met verwijzing naar een (andere) wettelijke regeling een procedure, begrip en/of functie uit die andere regeling van toepassing verklaard. De van toepassing verklaarde wettelijke regeling geldt zoals deze luidt op het moment van de toepassing van de bestemmingsplanregels. Wijziging van de wettelijke regeling na de vaststelling van het bestemmingsplan zou anders zonder Wro-procedure een wijziging van het bestemmingsplan met zich mee kunnen brengen.

7.5 Overgangs- en slotregels

Het laatste hoofdstuk van de planregels bevat twee artikelen.

Artikel 16 Overgangsrecht
Het artikel 'Overgangsrecht' heeft ten doel de rechtstoestand te begeleiden van situaties die afwijken van de regels van het bestemmingsplan. Lid 1 van dit artikel geeft regels voor bouwwerken die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden, en die afwijken van de bebouwingsregels van het plan. Lid 2 van dit artikel regelt het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken in het plan, voor zover dit gebruik op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, afwijkt van de in het plan gegeven bestemming.

Artikel 17 Slotregel
Het artikel 'Slotregel' bevat de titel waaronder het bestemmingsplan kan worden geciteerd. Dit artikel wordt dan ook wel het citeerartikel genoemd.

7.6 Handhaafbaarheid

Het bestemmingsplan is het juridisch instrument om te bepalen welke ruimte voor welke bouw- en gebruiksactiviteiten aangewend mag worden. In dit bestemmingsplan zijn voorschriften opgesteld waarbij het bestaande gebruik van gebouwen en bouwwerken in principe het uitgangspunt vormt. Dit betekent dat de huidige situatie in regels is vastgelegd. Het handhavingsbeleid is er op gericht dat deze regels ook worden nageleefd. Het bestemmingsplan bindt zowel burgers als de gemeente en is dan ook de basis voor handhaving en handhavingsbeleid.

Handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen 'vasthouden'. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle grondeigenaren en gebruikers dienen door de gemeente op eenzelfde manier aan het plan gehouden te worden.

Met deze oogmerken is in het bestemmingsplan allereerst gestreefd naar een zo groot mogelijke eenvoud van de regels. Hoe groter de eenvoud (en daarmee de toegankelijkheid en leesbaarheid), hoe groter de mogelijkheden om in de praktijk toe te zien op de naleving van het bestemmingsplan. Onder handhaving wordt niet alleen het repressief optreden verstaan, maar ook preventie en voorlichting. Repressief optreden bestaat uit toezicht en opsporing en in het verlengde daarvan – na afweging van belangen waaronder de effectiviteit van optreden – correctie, bestaande uit sancties en maatregelen. De sancties en maatregelen kunnen bestaan uit het stilleggen van activiteiten, aanschrijvingen, bestuursdwang, strafrechtelijk optreden en de dwangsom. Preventief handelen bestaat uit voorlichting en vooroverleg voor het indienen van een aanvraag om een vergunning en voorts het weigeren van de vergunning en eventuele afwijkingen.